“Ga, en zondig voortaan niet meer…”

Een oproep tot herbronning binnen de Rooms-Katholieke Kerk naar aanleiding van de recente stellingnamen van de Congregatie voor de Geloofsleer aangaande homoseksuele relaties.

Bezeten

In de evangeliën staat een eigenaardig verhaal over een bezeten man die zichzelf slaat met stenen (Marcus 5, 1-20). De manier waarop hij zichzelf behandelt, blijkt onder andere een imitatie te zijn van de manier waarop zijn stadsgenoten hem behandelen. Hij verblijft tussen de graven. Hij is duidelijk ‘dood’ voor zijn gemeenschap. Als je omgeving jou veroordeelt en waardeloos acht, vergroot de kans dat je jezelf ook niet langer respecteert.

De meerdere persoonlijkheden die de man in hun greep hebben, vormen de keerzijde van dat gebrek aan zelfliefde. Ze worden geboren uit een wanhopig streven naar waardering. Niets mag echter baten. Geen enkele identiteit lijkt bij anderen in de smaak te vallen. Het angstvallige verlangen naar sociale erkenning bereikt dus het tegenovergestelde van wat het beoogt: wie erdoor bevangen is, wint de wereld niet voor zich, maar geraakt juist meer en meer geïsoleerd (Marcus 8, 35-36).

Het evangelie verhaalt dat de bezeten man zich in die toestand van zelfverlies bevindt tot hij Jezus ontmoet. Jezus bevrijdt de man van een kuddementaliteit die bepaalt wat waarde heeft en wat niet. Hij biedt hem het vertrouwen om, in weerwil van die mentaliteit, zichzelf opnieuw te waarderen. De liefde die door Jezus wordt belichaamd, stelt de man in staat om zichzelf te beminnen.

Bevrijd

Jezus geeft ook de sleutel om die liefde in allerlei mogelijke situaties te ontketenen (Marcus 12, 30-31): “Bemin God en je naaste als jezelf.” Voor de Jood die Jezus is, houdt het eerste deel van dat dubbelgebod eigenlijk een radicaal verbod in. “God beminnen”, het eerste en belangrijkste van de tien geboden, betekent zoveel als “niets vergoddelijken” (Exodus 20, 4-5a)  of, in niet-religieuze taal: “niets verabsoluteren”.

De menselijke identiteit wordt op het eerste gezicht bepaald door een samenspel van biologische en culturele factoren, door nature en nurture. Jezus beweert echter dat we niet volledig afhangen van biologische impulsen en culturele normen. In zijn ogen zijn we ook “kind van God”. Daarmee bedoelt hij: kind van een liefde die niet gebonden is aan ‘natuurlijke’ of ‘culturele’ criteria.

Dat heeft waarlijk emancipatorische gevolgen. De bekende Nederlandse hersenonderzoeker Dick Swaab wijst bijvoorbeeld op een biologische aanleg voor pedofilie, maar dat betekent natuurlijk niet dat pedo-seksuele handelingen geoorloofd moeten zijn, zelfs niet als een of andere culturele context die toelaat. De ontmoeting met de ander is altijd ook een ontmoeting met een realiteit die anders is dan wat in het gezichtsveld van de eigen neiging of verbeelding verschijnt. In die zin roept de ander op tot een liefde die mensen bevrijdt van wat ze ‘moeten’ volgens lichamelijke impulsen en van wat ze ‘mogen’ volgens sociale normen.

De ander liefhebben is een werkelijkheid liefhebben die voorbij natuurlijke behoeftes, sociaal aangewakkerde verlangens of een cultureel gevormde verbeelding ligt. Paradoxaal genoeg brengt de overgave aan die liefde mensen tot zichzelf. Een pedofiele priester die ingaat tegen zijn neiging om kinderen seksueel te benaderen, is niet langer onderworpen aan een verwoestende affectieve dynamiek waarin hij ook zichzelf verliest. Hetzelfde geldt voor een alcoholverslaafde die zich uit liefde voor zijn naasten laat behandelen, ondanks bijvoorbeeld een gedoogcultuur aangaande alcoholgebruik in zijn werkomgeving. Overigens dient een samenleving de meest kwetsbaren tegen zichzelf te beschermen. Dat gaat van gedwongen opnames tot regelgeving in verband met seksualiteit. Immers, zelfs als een kind zogezegd instemt met seksuele handelingen door een volwassene, heeft die instemming meer dan waarschijnlijk te maken met manipulaties van de kant van de volwassene. In die lijn moet ook bijvoorbeeld regelgeving betreffende euthanasie bij minderjarigen van grote omzichtigheid getuigen.

Kortom, de liefde voor de ander als ander ondergraaft de verabsolutering van om het even welke lichamelijke neiging of cultureel en historisch bepaalde norm. Daardoor ontdekt ook degene die liefheeft zichzelf als toch nog “anders dan de optelsom van genetisch materiaal en opvoeding”. Wat de mens ten diepste bezielt, overstijgt dan ook wat zichtbaar en meetbaar is. De joods-christelijke traditie noemt die transcendentie “God”.

Realiteitsbesef

In de evangeliën schept Jezus voortdurend ruimte voor die bevrijdende transcendentie en het daarmee gepaard gaande grotere realiteitsbesef. Dat blijkt onder andere uit het welbekende verhaal over zijn ontmoeting met een overspelige vrouw (Johannes 8, 1-11). Op de vraag van een woedende menigte of die vrouw, naar aloude wetsgetrouwe gewoonte, moet gestenigd worden, antwoordt Jezus: “Wie zonder zonde is, mag de eerste steen werpen.” Dat is een geniaal antwoord. Jezus offert de bestaande orde immers niet zomaar op om, zoals veel machtswellustelingen voor en na hem, zijn eigen wetten te stellen. Integendeel, hij heroriënteert de bestaande regels naar een liefdesdynamiek die in plaats van slachtoffers ‘authentiek leven’ wil.

Wie na die woorden van Jezus nog een steen werpt, zou impliciet van zichzelf beweren perfect te zijn. Die persoon zou dus zichzelf vergoddelijken, en dat is een overtreding van het belangrijkste gebod in de joodse traditie. Jezus brengt de omstanders ertoe om “God te beminnen”, en dat wil zeggen dat ze zichzelf en hun culturele identiteit niet langer vergoddelijken.  Uiteindelijk is er niemand van de omstanders die de vrouw nog veroordeelt. Een realistischer kijk op eigen zwakheden en tekortkomingen, en de ermee gepaard gaande grotere zelfliefde, leidt blijkbaar tot het geven van ‘ademruimte’ aan anderen. Als je jezelf niet vergoddelijkt, kan je wel degelijk “je naaste beminnen als jezelf”.

Op het einde zegt Jezus tegen de vrouw: “Ik veroordeel u ook niet. Ga nu maar, en zondig voortaan niet meer.” De vraag is wat Jezus in deze context precies bedoelt met ‘zondigen’. In het verhaal over de bezeten man die zichzelf stenigt is dat overduidelijk. Omdat die man de negatieve blik van zijn omgeving op hem overneemt, is hij niet in staat om van zichzelf te houden. Daardoor kan hij ook voor anderen geen zegen zijn. De ‘zonde’ is in dit geval dus de verabsolutering van sociale normen en het gebrek aan zelfliefde en liefde voor anderen die er het gevolg van zijn. Jezus bevrijdt de man van dat kwaad en schenkt hem het vertrouwen om opnieuw van zichzelf te houden.

In het geval van de overspelige vrouw bevrijdt Jezus in de eerste plaats de omstanders van hun ‘zonde’, zijnde een verabsolutering van hun patriarchale culturele normen. Daardoor krijgt een vrouw die ooit is uitgehuwelijkt meer ruimte. Het is niet denkbeeldig dat haar eigen echtgenoot haar slecht behandelt en dat ze bij een geliefde voor wie ze wel zelf kiest respect vindt. ‘Leven in zonde’ zou dan betekenen: jezelf opnieuw onderwerpen aan de culturele normen die je echtgenoot gebruikt om macht over jou uit te oefenen. ‘Niet meer zondigen’ is dan: kiezen voor de geliefde van wie je respect krijgt, en vanuit dat herwonnen zelfrespect ‘vruchtbaar’ zijn voor anderen. De overspelige vrouw hoeft zichzelf niet langer te veroordelen, temeer daar Jezus ook haar omgeving heeft bekeerd tot de liefde die haar niet veroordeelt. Kortom, “ga nu maar, en zondig voortaan niet meer” betekent in dat opzicht: “Ga maar ten volle voor de situatie waarin je jezelf kan respecteren.”

Dood

In navolging van het optreden van die Jezus uit de evangeliën moet de Rooms-Katholieke Kerk erover waken om zichzelf niet te vergoddelijken. Zij mag haar eigen leer niet verabsoluteren. De Kerk en haar historisch gegroeide wetten zijn zelf niet God. Ook de Bijbel is zelf niet God. Kerk en Bijbel zijn op hun best wegen naar de bevrijdende liefde die zich in Jezus belichaamt. Vanwege die belichaming wordt hij ‘Christus’ genoemd en spreken zijn volgelingen over zichzelf als ‘christenen’ (en bijvoorbeeld niet als ‘bijbelsen’).

De recente verklaringen van de katholieke Congregatie voor de Geloofsleer aangaande homoseksuele relaties doen in het licht van Jezus’ optreden de vraag rijzen waar de ‘zonde’ zich precies situeert. “God liefhebben” doe je volgens het dubbelgebod ook “met heel je verstand”. Als de Congregatie zich beroept op de Bijbel, moet ze dat dus ook op een contextuele (historisch-kritische) manier doen. Die contextualisering behoort trouwens tot de traditie van de Kerk zelf. Als de Bijbel al homoseksuele relaties veroordeelt, dan is dat om dezelfde reden als waarom ze heteroseksuele relaties veroordeelt: het gaat om seksuele belevingen die de menselijke integriteit zouden aantasten. Verkrachtingen binnen (gearrangeerde) huwelijken zijn daarvan een voorbeeld. In dat geval zijn echtscheidingen aangewezen.

Een cultureel bepaalde morele opvatting die homoseksuele relaties veroordeelt als zondig (zoals recentelijk die van de Congregatie voor de Geloofsleer), is eveneens een broedplaats van discriminatie en geweld – ook van sommige mensen naar zichzelf toe. De ‘zonde’ situeert zich dus op het niveau van de opvatting die homoseksuele relaties veroordeelt. Die opvatting druist in tegen een liefdesdynamiek die mensen ten volle wil doen leven. Ze voeren naar ‘de dood’ (zie 1 Johannes 3, 14): “De mens zonder liefde is nog in het gebied van de dood” – zoals de man die zichzelf stenigt (zie hoger) “tussen de graven” verblijft. Kortom, in het licht van het evangelie is het een ‘zonde’ om homoseksuele relaties ‘zondig’ te noemen.

Leven

Een ethiek die mensen ertoe aanzet om zichzelf te ‘stenigen’ en hen verhindert om zichzelf te respecteren, moet te allen tijde onder kritiek geplaatst kunnen worden. Zeker als een gemeenschap trouw wil blijven aan haar roeping om de liefde van Christus gestalte te geven. In de Bijbel wordt niets God genoemd behalve die liefde (1 Johannes 4, 8). En die is zo radicaal dat ze de maatstaf vormt voor elke cultureel en historisch bepaalde norm om menselijke relaties vorm te geven. Ze zegt dat “regels er zijn voor de mens en niet omgekeerd” (Marcus 2, 27). Hoewel de liefde zich dus moet concretiseren via regels en normen, is ze zelf niet aan die regels gebonden. In die zin relativeert ze elke vergankelijke culturele ordening.

Vandaar dat, volgens Jezus, in de onvergankelijke leven-gevende dimensie van de liefde “mensen niet trouwen en ook niet worden uitgehuwelijkt” (Marcus 12, 25). In dezelfde lijn wijst Paulus op de betrekkelijkheid van de gebruiken waarmee de ene gemeenschap zich van een andere afgrenst. De liefde, belichaamd in Christus, maakt alle mensen tot één volk en doorbreekt culturele grenzen (Galaten 5, 6): “Want in Christus Jezus is niet de besnijdenis of de onbesnedenheid van belang, maar het geloof dat werkzaam is door de liefde.” Paulus ziet in Christus een liefde werkzaam die de hele schepping herijkt en die alle sociale begrenzingen, voortkomende uit aloude machtsspelletjes zowel binnen als tussen gemeenschappen, op losse schroeven zet (Kolossenzen 3, 10-11): “Bekleed u met de nieuwe mens, die wordt vernieuwd tot het ware inzicht, naar het beeld van zijn schepper. Dan is er geen sprake meer van Griek of Jood, besnedene of onbesnedene, barbaar, Skyth, slaaf, vrije mens. Maar alles in allen is Christus.”

Augustinus van Hippo (354-430), een van de belangrijkste kerkvaders, vat de kern van de houding waartoe de mens in navolging van Christus is geroepen. De mens die leeft vanuit Christus’ bevrijdende liefde heeft geen wetten nodig om te weten wat hij in de immer wisselende omstandigheden van een historisch gesitueerd bestaan moet doen of (niet) mag doen. Die ‘waarachtig levende’ mens geeft de juiste plaats aan ‘de wetten’. Hij interpreteert ze niet naar ‘de letter’ maar naar ‘de geest’ (2 Korintiërs 3, 5-6; Romeinen 2, 29), waarbij de liefde primeert en richting geeft. Augustinus schrijft dus allesbehalve toevallig (Ep.Io.tr. 7, 8): “Bemin en doe dan wat je wilt.” Als christenen dienen we ons telkens weer te laven aan die bron van liefde. Ja, dat geldt ook voor de katholieke Congregatie voor de Geloofsleer.