Tim Ribberink, zondebok

Het aloude verhaal. Van individuen die elkanders pestgedrag imiteren, en die zich op die manier verenigen rond een willekeurig slachtoffer. Een slachtoffer van wie zij echter beweren dat het dat pestgedrag “zelf uitlokt”. Een slachtoffer dat, met andere woorden, ten onrechte verantwoordelijkheid wordt toegedicht voor wat het overkomt. Een zondebok dus.

We zijn er als de kippen bij om onze eigen verantwoordelijkheid in dergelijke verhalen te ontlopen. We zijn geschokt door wat Tim Ribberink is overkomen, of Amanda Todd, of Tyler Long… We zijn verontwaardigd over het gedrag van de pesters. Maar intussen blijven we blind voor ons eigen aandeel in het creëren van een maatschappelijk klimaat dat telkens weer ruimte geeft aan vernederende woorden en daden. Aan het geweld van een bepaald soort taalgebruik. Van satire, bijvoorbeeld.

HUMOR (SATIRE) DIE ZICHZELF TE ERNSTIG NEEMT?

Ja, natuurlijk kan humor “ont-wapenend” zijn. Ruimte scheppen voor wie anders is dan jezelf begint bij een gezonde dosis zelfrelativering. En geen betere manier om jezelf te relativeren dan eens met jezelf lachen in het bijzijn van anderen. Maar tegenwoordig wordt “humor” – of wat daarvoor moet doorgaan – meer en meer een wapen ter onderdrukking van anderen. Je mag blijkbaar zelf niet meer bepalen waar je gevoeligheden en grenzen liggen, je moet “tegen een stootje” kunnen, een grapje kunnen verdragen, enzovoort. Vooraleer je jezelf kan relativeren, hebben anderen jou al – vaak ongevraagd – gerelativeerd in jouw plaats. Ze hebben jouw beslissingsruimte gekoloniseerd voor je er erg in hebt. Als je je dan gekwetst zou voelen, ligt het probleem natuurlijk niet bij die anderen, maar bij jou – jij, die geen gevoel voor humor kent of jezelf te ernstig neemt… Zo is de redenering van pesters die zichzelf niet als dusdanig herkennen, en die de verantwoordelijkheid voor het feit dat iemand zich gekwetst voelt bij de gekwetste zelf leggen – onder het mom: “Onze woorden zijn humoristisch op te vatten; wij kunnen het niet helpen dat iemand ze kwetsend opvat of niet in staat is om met mogelijks kwetsende taal om te gaan…”

En ondertussen tonen we toch ons respect voor het slachtoffer van een groep vermaledijde pesters – die zogezegd enorm van ons verschillen, maar die we in andere omstandigheden eigenlijk gewoon navolgen of imiteren. Of hoe het diaboliserende “pesten van pesters” zelf ook pesten is. Wie zich wreekt op boosdoeners, imiteert hun gedrag, en zet het kwaad dat hij dacht te bestrijden eigenlijk verder.

Wij (‘ons groepje’) zijn niet zoals zij (‘dat groepje’); ik niet zoals hij. Want wij betuigen eer aan hun slachtoffer…” De Jezusfiguur van de canonieke evangeliën ontmaskert de hypocrisie van zulke mechanismen (Mt.23,29-31): Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, schijnheiligen; u bouwt graftekens voor de profeten en versiert de grafstenen van de rechtvaardigen, en u zegt: “Als wij geleefd hadden in de tijd van onze vaderen, zouden wij niet medeplichtig geweest zijn aan de moord op de profeten.” Zo getuigt u zelf dat u zonen bent van profetenmoordenaars.

We zien het slachtoffer van een andere groep of van een ander individu nogal gemakkelijk, maar blijven inderdaad vaak blind voor de slachtoffers die we zelf maken. Aan de oproep tot zelfonderzoek en inkeer wordt zelden beantwoord. Aan “de stad” – de samenleving – waar het goed toeven is als mens, wordt niet verder gebouwd. Of zoals die Jezusfiguur het zegt, als “de Stem van een roepende in de woestijn” (Mt.23,37-38): Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en diegenen stenigt die tot haar gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik uw kinderen niet onder mijn hoede willen nemen, zoals een kip haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels. Maar u hebt het niet gewild. Kijk, uw huis blijft onbewoond achter.

Tim, ik ken je niet. Ik ben niet direct verantwoordelijk voor je dood. Maar ik ben wel, op mijn manier, mede verantwoordelijk voor een sociaal klimaat waarin pestgedrag kan floreren. Mea culpa. Ik hoop dat ik niet te trots ben om vergiffenis te vragen aan of te ontvangen van wie ik heb gekwetst. Ik hoop dat ik van mezelf geen slachtoffer maak of mezelf als “zondebok” presenteer (zogezegd “onterecht beschuldigd van medeplichtigheid”) om mijn verantwoordelijkheid te ontlopen als “medeplichtige” in een samenleving die vaak blind blijft voor haar eigen zondebokken. Ik bid dat ik meer oog krijg voor de onbedoelde kwalijke gevolgen van bepaalde van mijn woorden en handelingen. Want ik ben hardleers en koppig. Ik hoop dat ik jou tijdig in mijn leven mag herkennen en erkennen. Zodat jij en alle andere slachtoffers misschien ooit in ons midden kunnen vertoeven, en wij niet langer “daders” hoeven te zijn. In een Bijbelse woordenschat die tot mijn achtergrond behoort, die mij helpt om een en ander uit te drukken, en die ook mijn rationele vermogens aanspreekt: Als “Abel” niet langer dood is, is “Kaïn” niet langer schuldig aan moord, en dan krijgt Kaïn nogmaals een kans om de relatie met Abel nieuw leven in te blazen… In die geschonken vrijheid wil ook ik in mijn leven verantwoordelijkheid opnemen voor de “Abel” in mijn midden, wetende dat dit met vallen en opstaan gebeurt door vergeving te krijgen en te geven, maar dat daarmee dat grote “Lichaam van Liefde” verder vorm krijgt…

Jammer genoeg is het verhaal van Tim, zoals geweten is, lang geen alleenstaand geval. In mei 2011 schreef ik reeds een reflectie over pesten (Laatste Oordeel), geholpen door de mimetische theorie van René Girard. Daarin wordt met name aan het zondebokmechanisme een centrale plaats toegekend. Dit kwam toen uit de bus – het verhaal van Tyler Long vertoont pijnlijke overeenkomsten met het verhaal van Tim Ribberink, spijtig genoeg… :

OVER OORDELEN EN LAATSTE OORDELEN BIJ DE DOOD VAN EEN MOEGETERGDE JONGEN (PDF)

Laatste Oordeel

Klik om het artikel te lezen:

OVER OORDELEN EN LAATSTE OORDELEN BIJ DE DOOD VAN EEN MOEGETERGDE JONGEN (PDF)

Al te vaak berichten de media over verregaand en ontoelaatbaar pestgedrag in onze samenleving. Ik vind het dan ook belangrijk dat zeker het pedagogische veld blijvend aandacht schenkt aan dit fenomeen en het ook aanklaagt. Voor het maandblad van onze school (Sint-Jozefscollege, Aalst) schreef ik onlangs een artikel over pesten waarin ik tracht te achterhalen welke visie op mens, samenleving en – soms ook – god ten grondslag ligt aan deze eeuwenoude, schijnbaar onuitroeibare menselijke kwaal. Tegelijk stel ik een aantal vragen bij dit mens- en maatschappijbeeld, en ik laat mij daarbij inspireren door de joods-christelijke traditie, meer bepaald door de bijbelse geschriften. Deze traditie, dit ‘christelijk verhaal’, klaagt onder andere de vanzelfsprekendheid aan waarmee het lijden van mensen wordt gerechtvaardigd als ‘een noodzakelijk iets’, en daagt mensen uit om zich niet zomaar neer te leggen bij hun ‘lot’ of hun (maatschappelijke) ‘rol’.

Aan daders van kwaad vraagt het christelijk verhaal om vrij te worden en om de verantwoordelijkheid op te nemen voor hun eigen daden. Ze zouden zich voor hun misdrijven niet volledig moeten verschuilen achter goedkope excuses als ‘ik ben nu eenmaal zo, ik kan er ook niets aan doen…’. Daarnaast worden ook de slachtoffers van kwaad door het christelijk verhaal geappelleerd op hun vermogen tot vrijheid, om zich niet langer te laten definiëren door het kwaad dat hen overkomt.

Kortom, het christelijk verhaal wijst de mens op zijn mogelijkheid om te groeien en om zijn lot in eigen handen te nemen. Dat uit zich ondermeer in een gevoeligheid voor het lijden van slachtoffers en in een aanklacht tegen allerlei ‘rechtvaardigingen’ van dat lijden – zowel tegen louter religieuze als tegen maatschappelijke of ‘wetenschappelijke’ rechtvaardigingen.

Om het met de woorden van René Girard te zeggen, de grondlegger van de zogenaamde ‘mimetische theorie’: het christelijk verhaal keert zich tegen het ‘zondebokmechanisme’ waarin slachtoffers de schuld krijgen van het lijden dat hen overkomt. De ontmaskering van het zondebokmechanisme is één van de belangrijkste uitingen van een Liefde die mensen drijft voorbij min of meer spontane (en even vergankelijke) gevoelens van empathie (met vrienden en ‘bondgenoten’) en afkeer (tegenover zogenaamde ‘vijanden’).

Uiteindelijk geloof ik dat ‘het Laatste Oordeel’, de finale lotsbestemming van ieder mens, bij die Liefde ligt. Een Liefde die slachtoffers, eens gepercipieerd als ‘(zonde)bokken’, rehabiliteert als witte ‘lammeren’ die eindelijk het verhaal van hun ‘eigenlijke’ leven kunnen schrijven…

Klik op de titel om het artikel te lezen:

Over oordelen en laatste oordelen bij de dood van een moegetergde jongen