Dubbels en Demonen in Black Swan

Regisseur Darren Aronofsky schetst de manier waarop het verhaal voor zijn film Black Swan (2010) vorm kreeg in een interview met Dave Mestdach (Knack Focus, 5 september 2010, op het filmfestival van Venetië):

“Eigenlijk ging het zo. Aangezien mijn zus vroeger danseres was, ben ik altijd in ballet geïnteresseerd geweest zonder daarom een kenner te zijn. Alleen vond ik lange tijd geen geschikt scenario of een juiste invalshoek voor een film. Tien jaar geleden – tijdens het monteren van Requiem for a Dream – las ik echter The Understudy van Andres Heinz. Dat script ging over de intriges achter de schermen van een Broadway-theatergezelschap. Wat later las ik ook De dubbelganger, een kortverhaal van Dostojevski over een man die er van overtuigd is dat zijn collega zijn identiteit heeft overgenomen. Dat vond ik een heel enge en fascinerende gedachte. Nog wat later zag ik een opvoering van Het Zwanenmeer van Tsjaikovski waarin de soliste zowel de rol van de Witte als de Zwarte Zwaan danste. Uit al die dingen samen is uiteindelijk het concept voor Black Swan ontstaan.”

Black SwanMet De dubbelganger van Fjodor Dostojevski (1821-1881) en het ballet Het Zwanenmeer van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893) plaatst Aronofsky zijn film in een rijk cultuurhistorisch en literair perspectief, dat gaat van de Metamorfosen van Ovidius (43 v. Chr. – 17 na Chr.), over Duitse, Russische en Deense sprookjes, tot de Engelse gothic novel en Richard Wagners opera Lohengrin. Daardoor bevat het verhaal van Black Swan ook een aantal geliefkoosde kernthema’s uit het werk van René Girard. Het leek mij interessant om die thema’s, en de manier waarop ze in de film aan bod komen, een beetje meer uit te spitten. Het resultaat is een filmfiche met cultuurhistorische en literaire achtergronden:

KLIK HIER OM DE FILMFICHE TE LEZEN (PDF)

VRAGEN BIJ DE FILMFICHE (PDF)

KLIK HIER OM DE VOLLEDIGE LITERAIRE TEKSTEN TE LEZEN VOOR DE VOORNAAMSTE MOTIEVEN IN BLACK SWAN (PDF)

Ik maakte ook een videocompilatie met de eindscènes uit Black Swan, gecombineerd met fragmenten uit enkele literaire werken die in de filmfiche worden besproken.

SPOILER ALERT!

If you haven’t seen the movie Black Swan, you shouldn’t watch this. Otherwise:

CLICK TO WATCH:

Queen Bees

Wie vertrouwd is met het werk van René Girard en in het Vlaamse onderwijs actief is, zal zeker opgekeken hebben van een artikel in het tijdschrift Klasse van december 2012. De titel van het artikel luidt (klik op de titel om het te lezen): Queen bee zaait terreur – Meisjesvenijn: een subtiel machtsspel.

Queen Bees and Wannabes (Rosalind Wiseman)Uit het artikel:

  • Koningin (queen bee): een populair, mooi, sociaal vaardig meisje. Graag gezien bij leraren. Zij domineert de pikorde, laat haar meelopers de vuile klusjes opknappen. Na een tijdje vindt ze het normaal dat ze altijd haar zin krijgt.
  • Meelopers (wanna-bees): een grote groep meisjes die heel graag bij de koningin willen horen. Ze kijken naar haar op, imiteren haar en doen haar vuile werk.
  • Slachtoffer (target): valt buiten de groep, staat helemaal alleen. Ze wordt vernederd, aangetrokken en afgestoten. Ze denkt dat ze niets waard is.
  • Zwijgende omstanders (torn bystanders): meisjes die zien wat er gebeurt, maar zwijgen uit angst zelf slachtoffer te worden.

Zodra je een klas vormt, bepalen de leerlingen een ‘pikorde’. Dat is een natuurlijk groepsproces. Maar als de klassfeer verziekt of er is veel stress, loeren machtsspelletjes om de hoek.

mean girlsHet is duidelijk dat het zogenaamde target als een zondebok functioneert waartegen een groep meisjes zich mimetisch verenigt (de wanna-bees imiteren de queen bee) in tijden van crisis (als de klassfeer verziekt is). De dubbelzinnige benadering van het target (zowel aangetrokken als afgestoten) doet denken aan de even dubbelzinnige benadering van de zogenaamde pharmakoi in het Oude Griekenland. Niet toevallig, natuurlijk, heeft ook Girard hierover geschreven. Pharmakoi waren gemarginaliseerde individuen die zowel negatief als positief bejegend werden – ze leken op een of andere manier vaak gevaarlijk voor de gemeenschap, maar schenen tegelijk de oplossing voor allerlei problemen. Het ritueel van de Pharmakos (φαρμακός) bestond uit het offeren of verbannen van een menselijke zondebok door priester-tovenaars. Een tovenaar werd pharmakon genoemd. Het was aan hem om een slaaf, een kreupele of een misdadiger uit te kiezen in tijden van crisis en rampspoed (bijvoorbeeld tijdens een hongersnood, een pestepidemie of een invasie). Het slachtoffer kreeg drugs (pharmakeus) toegediend van een priester-tovenaar die pharmakeia beoefende. Het Nederlandse woord farmacie is hiervan afgeleid, en verwijst nog altijd naar middelen die genezing moeten bewerkstelligen.

Meer informatie over mogelijke pesterijen van meisjeskliekjes vind je bij Rosalind Wiseman, meer bepaald in haar boek Queen Bees & Wannabes.

Een onderhoudende film over het onderwerp, die gebaseerd is op het boek van Wiseman en een en ander in een klas bespreekbaar kan maken, is Mean Girls (Mark Waters, 2004). Daarin moet een zekere Cady (gespeeld door Lindsay Lohan) de strijd aanbinden met Regina – Latijn voor ‘Koningin’ – George (gespeeld door Rachel McAdams). Als nieuwkomer valt Cady aanvankelijk in goede aarde bij The Plastics, een meisjeskliekje dat geleid wordt door Regina, tot ze verliefd wordt op het ex-vriendje van ‘the Queen’… Een interessante verwijzing naar de film in een bespreking van Nella Larsens Passing, aan de hand van het werk van René Girard en Rosalind Wiseman, lees je hier.

Tim Ribberink, zondebok

Het aloude verhaal. Van individuen die elkanders pestgedrag imiteren, en die zich op die manier verenigen rond een willekeurig slachtoffer. Een slachtoffer van wie zij echter beweren dat het dat pestgedrag “zelf uitlokt”. Een slachtoffer dat, met andere woorden, ten onrechte verantwoordelijkheid wordt toegedicht voor wat het overkomt. Een zondebok dus.

We zijn er als de kippen bij om onze eigen verantwoordelijkheid in dergelijke verhalen te ontlopen. We zijn geschokt door wat Tim Ribberink is overkomen, of Amanda Todd, of Tyler Long… We zijn verontwaardigd over het gedrag van de pesters. Maar intussen blijven we blind voor ons eigen aandeel in het creëren van een maatschappelijk klimaat dat telkens weer ruimte geeft aan vernederende woorden en daden. Aan het geweld van een bepaald soort taalgebruik. Van satire, bijvoorbeeld.

HUMOR (SATIRE) DIE ZICHZELF TE ERNSTIG NEEMT?

Ja, natuurlijk kan humor “ont-wapenend” zijn. Ruimte scheppen voor wie anders is dan jezelf begint bij een gezonde dosis zelfrelativering. En geen betere manier om jezelf te relativeren dan eens met jezelf lachen in het bijzijn van anderen. Maar tegenwoordig wordt “humor” – of wat daarvoor moet doorgaan – meer en meer een wapen ter onderdrukking van anderen. Je mag blijkbaar zelf niet meer bepalen waar je gevoeligheden en grenzen liggen, je moet “tegen een stootje” kunnen, een grapje kunnen verdragen, enzovoort. Vooraleer je jezelf kan relativeren, hebben anderen jou al – vaak ongevraagd – gerelativeerd in jouw plaats. Ze hebben jouw beslissingsruimte gekoloniseerd voor je er erg in hebt. Als je je dan gekwetst zou voelen, ligt het probleem natuurlijk niet bij die anderen, maar bij jou – jij, die geen gevoel voor humor kent of jezelf te ernstig neemt… Zo is de redenering van pesters die zichzelf niet als dusdanig herkennen, en die de verantwoordelijkheid voor het feit dat iemand zich gekwetst voelt bij de gekwetste zelf leggen – onder het mom: “Onze woorden zijn humoristisch op te vatten; wij kunnen het niet helpen dat iemand ze kwetsend opvat of niet in staat is om met mogelijks kwetsende taal om te gaan…”

En ondertussen tonen we toch ons respect voor het slachtoffer van een groep vermaledijde pesters – die zogezegd enorm van ons verschillen, maar die we in andere omstandigheden eigenlijk gewoon navolgen of imiteren. Of hoe het diaboliserende “pesten van pesters” zelf ook pesten is. Wie zich wreekt op boosdoeners, imiteert hun gedrag, en zet het kwaad dat hij dacht te bestrijden eigenlijk verder.

Wij (‘ons groepje’) zijn niet zoals zij (‘dat groepje’); ik niet zoals hij. Want wij betuigen eer aan hun slachtoffer…” De Jezusfiguur van de canonieke evangeliën ontmaskert de hypocrisie van zulke mechanismen (Mt.23,29-31): Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, schijnheiligen; u bouwt graftekens voor de profeten en versiert de grafstenen van de rechtvaardigen, en u zegt: “Als wij geleefd hadden in de tijd van onze vaderen, zouden wij niet medeplichtig geweest zijn aan de moord op de profeten.” Zo getuigt u zelf dat u zonen bent van profetenmoordenaars.

We zien het slachtoffer van een andere groep of van een ander individu nogal gemakkelijk, maar blijven inderdaad vaak blind voor de slachtoffers die we zelf maken. Aan de oproep tot zelfonderzoek en inkeer wordt zelden beantwoord. Aan “de stad” – de samenleving – waar het goed toeven is als mens, wordt niet verder gebouwd. Of zoals die Jezusfiguur het zegt, als “de Stem van een roepende in de woestijn” (Mt.23,37-38): Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en diegenen stenigt die tot haar gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik uw kinderen niet onder mijn hoede willen nemen, zoals een kip haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels. Maar u hebt het niet gewild. Kijk, uw huis blijft onbewoond achter.

Tim, ik ken je niet. Ik ben niet direct verantwoordelijk voor je dood. Maar ik ben wel, op mijn manier, mede verantwoordelijk voor een sociaal klimaat waarin pestgedrag kan floreren. Mea culpa. Ik hoop dat ik niet te trots ben om vergiffenis te vragen aan of te ontvangen van wie ik heb gekwetst. Ik hoop dat ik van mezelf geen slachtoffer maak of mezelf als “zondebok” presenteer (zogezegd “onterecht beschuldigd van medeplichtigheid”) om mijn verantwoordelijkheid te ontlopen als “medeplichtige” in een samenleving die vaak blind blijft voor haar eigen zondebokken. Ik bid dat ik meer oog krijg voor de onbedoelde kwalijke gevolgen van bepaalde van mijn woorden en handelingen. Want ik ben hardleers en koppig. Ik hoop dat ik jou tijdig in mijn leven mag herkennen en erkennen. Zodat jij en alle andere slachtoffers misschien ooit in ons midden kunnen vertoeven, en wij niet langer “daders” hoeven te zijn. In een Bijbelse woordenschat die tot mijn achtergrond behoort, die mij helpt om een en ander uit te drukken, en die ook mijn rationele vermogens aanspreekt: Als “Abel” niet langer dood is, is “Kaïn” niet langer schuldig aan moord, en dan krijgt Kaïn nogmaals een kans om de relatie met Abel nieuw leven in te blazen… In die geschonken vrijheid wil ook ik in mijn leven verantwoordelijkheid opnemen voor de “Abel” in mijn midden, wetende dat dit met vallen en opstaan gebeurt door vergeving te krijgen en te geven, maar dat daarmee dat grote “Lichaam van Liefde” verder vorm krijgt…

Jammer genoeg is het verhaal van Tim, zoals geweten is, lang geen alleenstaand geval. In mei 2011 schreef ik reeds een reflectie over pesten (Laatste Oordeel), geholpen door de mimetische theorie van René Girard. Daarin wordt met name aan het zondebokmechanisme een centrale plaats toegekend. Dit kwam toen uit de bus – het verhaal van Tyler Long vertoont pijnlijke overeenkomsten met het verhaal van Tim Ribberink, spijtig genoeg… :

OVER OORDELEN EN LAATSTE OORDELEN BIJ DE DOOD VAN EEN MOEGETERGDE JONGEN (PDF)

In de krant gelezen: ‘t is crisis

Crisis: le mot du jour in onze kranten. Een dag na de aangekondigde algemene staking in België blijft dit woord in onze huidige context zijn eerder negatieve connotatie behouden. Het duidt een periode van verval aan waarin maatregelen moeten getroffen worden om erger te voorkomen; waarin specialisten moeten ‘oordelen’ om daadkrachtige beslissingen te kunnen nemen (het Griekse werkwoord waarvan ‘crisis’ is afgeleid, betekent niet voor niets ‘scheiden’, ‘oordelen’ of ‘beslissen’). Duidelijk is ondertussen dat de specialisten het ogenschijnlijk met elkaar eens zijn met betrekking tot het doel van de maatregelen: de maatschappelijke welvaart behouden. Op de vraag hoe je dat doel dient te bereiken, worden uiteenlopende antwoorden gegeven. In dat opzicht is er een duidelijke crisis in de relatie tussen vakbonden en werkgevers.

Dat onze (post)moderne, economisch geliberaliseerde samenleving eigenlijk overleeft door een vorm van crisis in stand te houden, wordt soms over het hoofd gezien en slechts zijdelings in vraag gesteld (in termen als ‘onthaasting’ en ‘consuminderen’). Ons economisch systeem is gericht op (of geobsedeerd door?) groei. Stilstaan is achteruitgaan. En dat laat zich voelen in alle geledingen van de samenleving, tot op het niveau van het individu. Een consument die niet meer ‘in crisis’ wordt gebracht, is nefast voor een vrije markt. Consumenten mogen niet voor al te lange tijd ‘voldaan’ zijn, en hun koopkracht is levensnoodzakelijk. Consumenten moeten zo snel mogelijk weer ‘aan het wankelen’ worden gebracht. Er moeten telkens nieuwe situaties gevonden worden waarin consumenten moeten beslissen ‘wat ze nu weer eens zullen kopen’. Consumenten moeten telkens weer het gevoel krijgen dat ze iets missen, dat ze een bepaald gebrek lijden. Dit leidt tot een paradoxale vaststelling: in een maatschappij met een overvloed aan goederen als de onze, wordt voortdurend schaarste gecreëerd.

Om in een situatie van overaanbod nog te weten wat we zogezegd willen, richten we onze blik onwillekeurig op anderen. Soms zijn we ons helemaal niet bewust van de referentiefiguren die we doorheen ons leven al geïmiteerd hebben. Niettemin, een mimese (d.i. imitatie of navolging) van aantrekkelijk bevonden modellen of van concurrenten die we de loef willen afsteken, reguleert het sociale verkeer. Daarbij functioneert geld als objectivering van sociale verhoudingen die de facto een hiërarchie inhoudt op basis van verschil in eigendom. Met andere woorden, de bemiddeling door het geld zorgt ervoor dat de onderhuidse rivaliteit tussen consumenten om een bepaald goed te verwerven niet gewelddadig wordt (althans in eerste instantie). In premoderne samenlevingen zou de rivaliteit van individuen die elkaar imiteren in hun begeerte naar een bepaald goed al te gemakkelijk aanleiding geven tot geweld. Vandaar dat deze samenlevingen een strenge hiërarchie kennen met veel taboes die mimetische (d.i. imitatieve) processen (vooral met betrekking tot de begeerte) moeten indijken, om maatschappelijke stabiliteit te behouden. De Duitse filosoof Max Scheler (1874-1928) karakteriseert de moderne samenleving als volgt:

De grootste lading aan ressentiment zal men aantreffen in een maatschappij als de onze, waarin ongeveer gelijke politieke en andere rechten en een officieel erkend recht op gelijke behandeling hand in hand gaan met een grote discrepantie in feitelijke macht, feitelijk bezit, feitelijke ontwikkeling. Het is een maatschappij, waarin iedereen het ‘recht’ heeft zich met iedereen te vergelijken, maar zich in concreto allerminst met iedereen kan meten. (uit Max Scheler, Vom Umsturz der Werte. Abhandlungen und Aufsätze, Gesammelte Werke, Band 3, Francke Verlag, Bern, 1955, p.43; vertaling: Guido Vanheeswijck).

Toch kan onze gemoderniseerde samenleving de crisissen als gevolg van (onderhuidse) mimetische rivaliteiten meestal min of meer verdragen, en wel omdat ze voldoet aan de reeds impliciet vermelde volgende voorwaarden (uit Jan Populier, God heeft echt bestaan – Met René Girard naar een nieuw mens- en wereldbeeld, Mimesis, Lannoo, Tielt, 1993 – p.54):

1. Er moeten voldoende identieke voorwerpen zijn om elk nieuw dreigend mimetisch conflict af te wenden.

2. We leven in een industriële maatschappij die deze voorwerpen systematisch produceert.

3. De economie zorgt ervoor dat iedereen zich deze voorwerpen kan aanschaffen of ernaar streven.

4. De mens blijft blind voor het metafysische karakter van het verlangen naar al die voorwerpen, die op basis van hun zuiver utilitaire waarde zeker niet de verlangens zouden opwekken die ze nu opwekken.

Eens aan de basisbehoeften is voldaan, krijgen goederen waarde naarmate meer mensen ernaar verlangen en die waarde – een zaak van prestige, bepaald door altijd relatief arbitraire mimetische processen, verder niets – wordt uiteindelijk gesymboliseerd door geld (stijgende vraag betekent toename van het prestige, uitgedrukt in een prijsstijging bij eenzelfde aanbod). Maar niet alleen goederen verwerven prestige in een spel van vraag en aanbod. Ook het hedendaagse individu zal zijn eigenwaarde vaak ontlenen aan de mate waarin het zichzelf gewaardeerd voelt door anderen. Met andere woorden, het zal zichzelf pogen te profileren als een object waar ‘vraag’ naar is – als iemand die door anderen wordt bekeken/begeerd/geïmiteerd. The Voice van Vlaanderen is het zoveelste in een hele rij tv-programma’s waarin mensen, door zichzelf artistiek te uiten, ook bekendheid kunnen verwerven. Nog nooit was de drang naar zelfexpressie zo groot, zeker op artistiek vlak. Maar tegelijk wordt dat verlangen zo gemakkelijk gecommercialiseerd dat de authenticiteit van het artistieke bedrijf voortdurend onder druk komt te staan. De kandidaten van The Voice brengen covers, geen zelfgemaakte songs, en ‘klinken als’ deze of gene artiest. Een grote paradox in onze huidige samenleving is (alweer): het prestige en het ermee verbonden zelfbewustzijn van de artiest was nog nooit zo groot (denk bijvoorbeeld aan een auteursrechtenorganisatie als SABAM), maar precies daardoor komt de eigenheid van de artiest steeds weer onder druk te staan. Muziek uit de middeleeuwen – vaak afkomstig van anonieme meesters en niet gemaakt om het prestige van de musicus zelf te vergroten, maar eerder A.M.D.G. (Ad Maiorem Dei Gloriam) – klinkt verrassend fris en authentiek in het licht van de zoveelste cover van een of andere popsong.

Jan Populier vat goed samen hoe de mens doorheen zijn geschiedenis de dwang om te voldoen aan sacrale taboes en regels heeft ingeruild voor de dwangbuis van het prestige (p.51 uit het reeds aangehaalde boek):

Terwijl de primitieve mens gevangen zat in de strakke, maatschappelijke structuur van het sacrale, zit de moderne mens gevangen in de dwanggedachte van de sociale erkenning. Naarmate de modellen in de maatschappij sterker worden, meet het moderne individu zich aan die modellen en streeft het hartstochtelijk, vanuit het onaangename gevoel van een chronisch tekort aan prestige, naar de erkenning door deze modellen. Uiteindelijk belanden we in een cultuur waarin iedereen zichzelf prachtig vindt, al is het maar schijn, opdat anderen hem fantastisch zouden vinden [denk aan bepaalde uitwassen op Facebook e.d.]. Wat de moderne mens zeker niet mag tonen is zijn afhankelijkheid van anderen. De schijn van autonomie moet ten allen tijde gevrijwaard blijven. Christopher Lash schreef in 1979 zijn bestseller “The culture of narcissism”, waarin hij de moderne mens beschrijft als een individu dat absoluut onafhankelijk wil blijven, zijn lichaam verzorgt, sport, carrière wil maken met de bedoeling anderen de loef af te steken, kortom als iemand die participeert in bewegingen als “cocooning” of de “yuppiebeweging”, maar die anderzijds leeft zonder taboes. Dit leidt tot emotionele frustratie, tot angst voor menselijke intimiteit, tot zwartgalligheid, tot pseudo-inzichten [bijvoorbeeld negatieve kritiek geven op anderen, op handelingen en ideeën, zonder zelf iets constructiefs in de plaats te stellen], angst voor ziekte, oude dag en dood, onmacht tot beleven van liefde en seksualiteit. Op die manier spat onze maatschappij uiteen in evenveel stukjes als er mensen zijn, daar iedereen iedereen uitstoot teneinde zichzelf te laten bevestigen.

Faalangst is een van de symptomen in een samenleving die (zogezegd autonome) individuen systematisch afhankelijk maakt van (mimetisch begeerd) sociaal prestige. Toevallig (?) ging een artikel in de Vlaamse krant De Morgen (het moet niet altijd De Standaard zijn) vandaag (dinsdag 31 januari 2012) over faalangst bij leerlingen: Eén kind op tien is bang om te mislukken op school (Kim Van de Perre). Enkele citaten:

“Faalangst komt regelmatig voor bij kinderen: bij twee à drie leerlingen per klas”, vertelt Marc Litière, therapeut en auteur van Ik kan dat niet!, zegt mijn kind. Klasse verspreidt daarom bij 200.000 leerkrachten een brochure met preventietips, herkenningspunten en begeleidingstechnieken om faalangst op school zo veel mogelijk in te dijken. Ook ouders worden gewaarschuwd. Want, zegt motivatiepsycholoog Willy Lens (KU Leuven), niemand wordt met faalangst geboren. “Je verwerft het. Krijgen jonge kinderen de kans om taken als veters vastknopen te leren? Of moet het meteen goed zijn?” Scholen zijn volgens Lens te vaak ‘prestatiebarakken’ in plaats van leerhuizen.” Al is faalangst aanpakken niet enkel een probleem voor de school, maar ook voor de ouders en de samenleving. Litière: “We leven in een prestatiemaatschappij. Kinderen kijken om zich heen en komen tot de constatatie dat tien op tien de norm is. Zelfs als mama of papa zegt dat een zeven ook al goed genoeg is. Want ze zien hun ouders wel glimmen van trots als ze het heel goed doen op een toets. Met als gevolg dat veel kinderen zichzelf onrealistische eisen opleggen.” Ouders zelf laten hun zelfwaarde ook dikwijls afhangen van het slagen van hun kind. “Die druk geven ze door aan hun kroost. Kinderen moeten tegenwoordig superman zijn: én goede punten halen, én prachtige werkjes afleveren op de tekenles, én naar de muziekschool. De druk begint vaak al op jonge leeftijd. Ouders vergelijken te veel met andere kinderen. ‘Kan die al klinkers herkennen? Dan moet mijn kind dat ook kunnen.’ Ook kleuters krijgen te kampen met faalangst.”

Het leveren van prestaties in functie van het prestige dat ontstaat door een competitieve vergelijking met anderen, kan niet anders dan vroeg of laat tot frustraties leiden bij ‘achterblijvers’ die een uitweg zoeken – ofwel in auto-agressief gedrag en vormen van faalangst, ofwel in hetero-agressief gedrag en zondebokmechanismen als pestgedrag. Of, in termen van Girards mimetische theorie: hoe mimetische rivaliteit in functie van sociaal prestige het werkelijke ‘genieten’ vernietigt. Hoeveel kinderen leren op school de vreugde van het leren zelf? Hoeveel kinderen ontwikkelen op de muziekschool een werkelijke passie voor muziek en hun instrument? En wat doen we als aloude zondebokmechanismen en pesterijen weer de kop op steken? In dezelfde De Morgen staat ook een interview van Sofie Mulders met Seppe De Roo, een zeventienjarige middelbare scholier (uit het laatste jaar wetenschappen-wiskunde) die een manifest schreef voor homorechten. De Roo ijvert voor een explicitering van holebi-rechten in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, en in het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens. Ik laat hem even aan het woord:

“Zolang iets niet duidelijk op papier staat, is het vatbaar voor verandering. Zeker in deze onzekere tijden. Op economisch en financieel gebied gaat het niet goed, mensen zijn ontevreden, en in zulke periodes grijpt men gemakkelijk terug naar conservatieve ideeën. Kijk naar wat er in de Verenigde Staten gebeurt, nu bij de Republikeinse voorverkiezingen. Ik lees het elke dag in de krant en het maakt me woedend. Volgens sommige presidentskandidaten moet homoseksualiteit opnieuw een taboe worden, en men pleit openlijk voor het herinvoeren van het don’t ask, don’t tell-beleid. De kans bestaat dat al het harde werk van de laatste jaren om homoseksualiteit publiek aanvaard te maken een maat voor niets wordt. Ik ben bang dat die Amerikaanse tendens ook naar ons zal overslaan.”

Wat De Roo vreest – hernieuwde discriminatie tegenover homo’s – wordt, in alweer dezelfde krant, enkele bladzijden eerder uitgebreid naar andere groepen die in het verleden al gediscrimineerd werden. In een interview van Tine Peeters met Jozef De Witte, directeur van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, stelt De Witte:

“Antisemitisme blijft een sluipend gevaar. Vergelijk het met pestgedrag. Wie ooit al slachtoffer was, riskeert dat terug te worden.”

De Roo opnieuw:

“De mens heeft altijd een slachtoffer nodig om zichzelf beter te voelen, en als deze niet voor de hand liggen, dan zoekt men die wel.”

In zijn reeds aangehaalde boek uit 1993 over het denken van René Girard, schrijft Jan Populier waarlijk profetische woorden in het licht van deze krantenartikels (p.56):

Slechts wanneer onze moderne economie faalt, wanneer de mensen niet meer genoeg geld verdienen om hun modellen na te bootsen, om hun verlangen te bevredigen, ontstaat er een crisis, net zoals in de primitieve samenleving een crisis ontstond wanneer de rituelen niet goed werden uitgevoerd. En wanneer de economie faalt, valt onze samenleving terug op primitievere structuren, waarbij sacraliteit, rituelen en zondebokmechanisme hun rol weer opeisen. Dit was ongetwijfeld het geval in de jaren dertig van deze eeuw, dit blijkt gedeeltelijk nu weer het geval te zijn met de opkomst van uiterst rechts…

Is er dan geen uitweg uit deze telkens opnieuw opduikende processen? De economische crisis herstelt zich tot nu toe altijd door een nieuwe balans te zoeken in het spel van de mimetische rivaliteit. Aan deze geïnstitutionaliseerde ‘sociale crisis’ die aan ons economisch systeem ten grondslag ligt, wordt nauwelijks geraakt – we blijven leven in een prestatiemaatschappij (zie hoger). Misschien moeten we, vooraleer we onze blik op anderen richten, ontvankelijk worden voor de woorden die de onlangs overleden pater Phil Bosmans als titel aan zijn bekendste boek gaf: Menslief ik hou van je. En misschien, heel misschien, zullen we dan minder krampachtig naar ‘bewijzen’ zoeken dat we ‘niet achterblijven’ tegenover onze ‘concurrenten’ of ‘vijanden’. Heel misschien zullen we dan minder krampachtig en angstvallig op zoek gaan naar bewijzen dat we ‘iets waard’ zijn, precies omdat we ons al bemind weten. Heel misschien zullen we dan geen groep vijanden meer nodig hebben om onze morele superioriteit uit af te leiden?

De mens die zichzelf niet kan aanvaarden (hoewel hij misschien denkt van wel, en onvoldoende zijn onderhuidse frustraties onder ogen ziet) en die zich daarom in een waarlijk spirituele crisis bevindt, probeert wanhopig steeds meer prestige te verwerven in een economische ratrace die nooit vervulling schenkt, en die rampzalige ecologische gevolgen heeft. Phil Bosmans was nog nooit zo actueel. De woorden die hij ons schenkt vanuit een levenslange omgang met het evangelie, bieden een geneesmiddel voor de spirituele crisis die aan de basis ligt van al die andere crisissen. Misschien is de crisis die Phil Bosmans aanbrengt in ons cynisch en zelfgenoegzaam, maar illusoir autonomiestreven, wel dé crisis waar het om draait. We staan voor een fundamentele keuze: blijven we de angst voeden dat we een loser kunnen zijn in de ogen van anderen, of weten we ons zó bemind dat we het aandurven om tot het kamp van die zogezegde losers gerekend te worden – in een bevrijding van onszelf die ook anderen bevrijdt?

Dit gezegd zijnde, vraagt deze blogger zich opnieuw af waarom hij ooit begon te bloggen :). Eerlijk? Uiteindelijk denk ik: omdat de wondere veelstemmigheid van deze wereld ook mij een stem schenkt. En omdat ik dat geschenk bijzonder graag dankbaar ontvang en doorgeef. Pure passie, dus. Om gelezen te worden ;). In navolging van de eerste twitteraar – good young Phil.


Mimetisch denker leest krant

OVER DE ACTUELE RELEVANTIE VAN DE MIMETISCHE THEORIE

[NOTE: SOME REFERENCES ARE IN ENGLISH]

Vorige week dinsdag, 17 januari 2012, las ik in de Vlaamse krant De Standaard een artikel over de escalerende rivaliteit tussen twee motorbendes – de beruchte Hells Angels, en hun geduchte tegenhangers, de Outlaws. Wie vertrouwd is met de mimetische theorie herkent daarin onmiddellijk zogenaamde dubbels: twee twistende partijen van wie de rivaliteit gebaseerd is op de wederzijdse imitatie van elkaars begeertes en ambities. Plato wist al: “Volgens een universele en onfeilbare wet geldt, dat hoe meer twee dingen op elkaar lijken, des te vervulder zij geraken van nijd, wedijver en haat.”

Een mimetisch (d.i. imitatief) proces dat zich afspeelt in de context van de begeerte geeft echter niet alleen aanleiding tot rivaliteit, het is ook tragisch: wederzijdse imitatie zorgt ervoor dat twee rivalen een steeds sterkere begeerte zullen ontwikkelen om zich van elkaar te onderscheiden, maar precies door elkaar in dat verlangen te imiteren, zullen ze steeds meer op elkaar gelijken – en bereiken ze hun doel niet. Precies de pogingen om hun doel te bereiken, liggen aan de basis van het gegeven dat ze daarin mislukken, wat hun onderneming inderdaad een tragisch karakter verleent (zie wat dit betreft bijvoorbeeld Sophocles’ tragedie Koning Oedipus: hoe meer Oedipus het noodlot probeert af te wenden, hoe meer hij in de netten van het noodlot verstrikt raakt). Wie niet rechtstreeks betrokken is in het spel van de dubbels, ziet over het algemeen gemakkelijk hoezeer aartsvijanden eigenlijk elkaars evenknie zijn. Maar zeg aan een Hells Angel niet dat hij eruitziet als een Outlaw – dat zou slecht kunnen aflopen. Je zou hierbij terecht kunnen opmerken: hoe meer twee partijen op elkaar lijken, hoe belangrijker het symbolische verschil van oppervlakteverschijnselen wordt – van status(symbolen), waarvan de waarde bepaald wordt door quasi louter mimetische processen (iets is belangrijk omdat iedereen van de groep er belang aan hecht).

LEES HIER: Als de omerta verbroken wordt (Mark Eeckhaut) – pdf 

Nadat ik zulke overwegingen had gemaakt bij dit eerste artikel, besloot ik de rest van dezelfde krant te lezen vanuit de vraag welke artikels expliciet thema’s belichtten die ook behoren tot de stokpaardjes van de mimetische theorie – en die bovendien getuigen van dezelfde oriëntaties. Uiteindelijk selecteerde ik er nog vier.

Dat mimetische vermogens niet alleen rivaliteit opwekken, is evident. Ook empathie berust op imitatieve processen. Zulke processen stellen je in staat om je in de plaats van iemand anders te stellen. Daarover gaat het volgende artikeltje, dat een deel van het onderzoek van Andrew Gallup voorstelt. Kennelijk vertonen grasparkieten de neiging om het geeuwen van soortgenoten te imiteren; aanstekelijk geeuwen bij mensen zou vooral gebeuren ‘onder vrienden of lotgenoten’, en zou wijzen op empathische banden (zie bijgevoegde link met meer achtergrondinformatie).

LEES HIER: Niet alleen wij vinden geeuwen aanstekelijk – pdf

Klik hier voor meer achtergrondinformatie (site National Geographic, in ENGLISH)

Een derde artikel gaat over de rol van mimetische processen in de economische sector. Fons Van Dyck recenseert het nieuwste boek van Martin Lindstrom, een bijzonder invloedrijke marketeer die zich onder andere baseert op het onderzoek naar de werking van spiegelneuronen. In ieder geval schijnt het nieuwe boek Brandwashed een aanrader. Lindstrom zelf gebruikt bij mijn weten niet de term mimetische begeerte, maar hij beschrijft wel voortdurend hoe de realiteit waarnaar die term verwijst aan het werk is in ons consumptiegedrag. Het artikel van Lindstrom zelf (bij de achtergrondinformatie) is in dit opzicht bijzonder interessant, en de titel spreekt boekdelen.

LEES HIER: Opstand van een marketeer (Fons Van Dyck) – pdf

Klik hier voor meer achtergrondinformatie (site Martin Lindstrom, in ENGLISH – see: Fast Company: Thou Shalt Covet What Thy Neighbor Covets) – Klik hier voor een snelle pdf-versie

Artikel nummer vier gaat over de Arabische Lente in Egypte. Opvallend hoe een artikel van de antropoloog Mark Anspach, dat al enkele maanden geleden verscheen en expliciet geschreven werd vanuit het referentiekader van de mimetische theorie, een visionair karakter verwerft in het licht van een krantenartikel dat de actuele politieke situatie belicht. Boeiend om ze naast elkaar te leggen met de vraag wat er zal gebeuren nu de oude soeverein van de troon is gestoten…

LEES HIER: De gebroken beloftes van het Egyptische leger (Chams Eddine Zaougui) – pdf

Klik hier voor het artikel van Mark Anspach (site Imitatio, in ENGLISH – see: The Arab Rulers’ New Clothes)

Het laatste artikel dat ik selecteerde uit De Standaard van 17 januari 2012 is van de hand van Bart De Wever, over de lotgevallen van de Pool Piotr Koscik in Vlaanderen. Zoals de Egyptische, ‘koninklijke’ soeverein Moebarak de gemeenschappelijke vijand wordt van het volk dat hem eerst op handen droeg, is ook het verhaal van Piotr een klassiek ‘zondebokverhaal’. De zondebok is ‘de slechterik’ of ‘de marginaal’ met wie een meerderheid van mensen geen enkele affiniteit meer kan voelen. Iemand die gepercipieerd wordt als ‘radicaal verschillend’ in de negatieve zin (en daarom ook identiteitsbevestigend is). Bij de door mimetische processen gedreven media en ‘publieke opinie’ slaat sympathie gemakkelijk om in antipathie. Snel als een windhaan. En dat heeft Piotr ondervonden: aanvankelijke steunbetuigingen smolten als sneeuw voor de zon onder invloed van bijkomende, kwalijke informatie omtrent zijn verleden. “Nog voor de (wind)haan kraaide…” En nagenoeg niemand bleek nog in staat om zich in te beelden wat het was om iemand als Piotr te zijn: de outcast bleef… outcast. Kunnen wij onszelf als ‘farizeeërs’ ontmaskeren – of zien wij alleen anderen als hypocrieten, en blijven we zo participeren aan het zondebokmechanisme, doof voor het koningschap dat “niet van deze wereld” is?

In ieder geval lijkt er doorgaans in ons leven “Niets nieuws onder de zon”, om met het Bijbelse boek Prediker te spreken. Lees bijvoorbeeld: “Beter een arme jonge man die wijs is dan een oude koning die dwaas is en geen enkele raad meer aanneemt. Ik denk aan iemand die na zijn gevangenschap koning werd, en nog wel van het land waar hij arm was geboren. Ik zag hele menigten, de levenden onder de zon, partij kiezen voor die jonge man die de plaats van de oude koning innam. Het volk was niet te tellen, iedereen liep achter hem aan. Maar later waren ze ook over hem niet meer tevreden. Ook dat is ijdel en grijpen naar de wind.” (Prediker, 4,13-16).

Dat is het verhaal dat Hans Christian Andersen (1805-1875) vertelt in het sprookje De nieuwe kleren van de keizer, een ‘eeuwige waarheid’ die opnieuw oplichtte tijdens de Arabische Lente (zoals Mark Anspach laat zien in zijn artikel – zie hoger). Het is ook het verhaal van Piotr – en Bart De Wever laat zien hoe weinig fictief zogenaamde ‘verhaaltjes voor het slapengaan’ eigenlijk zijn. Of: hoe de dromen die ons worden ingefluisterd ons wakker schudden en alert maken voor bepaalde aspecten van de realiteit.

LEES HIER: Na een warme kerst de koude douche (Bart De Wever) – pdf

Of het nu rechtspraak, psychologie, evolutiebiologie, economie, politiek, communicatiemedia of antropologie betreft (om maar enkele wetenschappelijke disciplines te noemen) – een mimetisch theoreticus hoeft zich nooit af te vragen waarmee hij zich moet bezighouden ;).