“Geïndoctrineerd door de jezuïeten” (verslag van een godsdienstleraar op het Aalsterse Sint-Jozefscollege)

Misschien is het volgende goed nieuws voor de tegenstanders van het godsdienstonderwijs op katholieke scholen en van alles wat naar godsdienst ruikt:

(1) Wij, godsdienstleerkrachten, geloven niet automatisch in God.
(2) Ja, wij godsdienstleerkrachten geven grif toe dat we de jeugd trachten te “corrumperen” met “vreemde” ideeën.
(3) Ja, de christelijke traditie is – zoals andere grote levensbeschouwelijke tradities – ook zeer interessant voor andersgelovigen en niet-gelovigen.

Daaraan wil ik nog een persoonlijke noot toevoegen: ja, ik ben SJC Aalst“gebrainwasht” na jaren werken op het Sint-Jozefscollege, door de jezuïeten en de spiritualiteit van hun stichter, Ignatius van Loyola (1491-1556).

(1)

Pierre Abélard - Quote on DoubtIk twijfel vrij geregeld aan mijn geloof in God. Net zoals atheïsten die filosofisch zijn aangelegd ook wel eens aan hun ongeloof zullen twijfelen. (Niet) geloven is immers iets anders dan weten.

Intussen weet ik echter wel dat de grote spirituele tradities intrinsiek zinvol zijn.

(2)

Van de jezuïeten heb ik bijvoorbeeld geleerd dat vrij zijn niet hetzelfde is als “je zin doen”. Vrij zijn is “jezelf kunnen ontplooien”.

Een alcoholverslaafde die zijn zin doet, blijft verslaafd. Als je kinderen alleen laat eten waarin ze spontaan zin hebben, eten ze misschien teveel snoep, en onvoldoende groenten en fruit. Dat is niet bevorderlijk voor de fysieke en mentale ontwikkeling van kinderen. Door kinderen hun zin te laten doen, ontneem je hen paradoxaal genoeg dus de vrijheid om de best mogelijke versie van zichzelf te worden. Dat soort verwennerij wordt door psychiaters als Dirk De Wachter en Peter Adriaenssens terecht gekarakteriseerd als “pedagogische kindermishandeling”.

Ideaal is natuurlijk dat we vooral “zin” zouden hebben om “onszelf te ontplooien”.

Spijtig genoeg zijn we vaak overgeleverd aan impulsen waarvoor we niet zelf hebben gekozen, en beslissen die impulsen in onze plaats over ons leven. De kunst is om ons op de juiste manier tot die impulsen te verhouden, niet om ze te vernietigen.

Die impulsen kunnen van een eerder natuurlijke aard zijn – zoals in het geval van een ongecontroleerde lichamelijke drang naar snoep of alcohol. Ze kunnen ook van een eerder culturele aard zijn. We vragen ons soms te veel af wat betekenisvol is volgens de normen van het maatschappelijk systeem waarin we ons bevinden.

Wetten zijn goed als ze de voorwaarden scheppen waarin onze zelfontwikkeling kan plaatsvinden. Ze worden op een verkeerde manier benaderd als ze in onze plaats bepalen wie we zogezegd zijn. In termen van de Jezusfiguur uit de evangeliën klinkt dat als: “De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat.” Een leerling die op een frauduleuze manier honderd procent haalt, bijvoorbeeld, heeft het evaluatiesysteem tot doel gemaakt. Hij heeft het niet gebruikt als een middel dat hem helpt om zichzelf te ontwikkelen.

Teach us to Give and not to Count the Cost St IgnatiusHet voordeel van een beroepsopleiding is alvast dat leerlingen zichzelf en de wereld uiteindelijk moeilijk iets kunnen voorliegen: een gemetste muur is recht en blijft overeind, of ze is slecht gemetst. Leerlingen in het algemeen secundair onderwijs kunnen zichzelf langer op het verkeerde been zetten. Ze kunnen wiskundige bewijzen “van buiten” leren zonder die te begrijpen, bijvoorbeeld, of vertalingen van Latijn en formules van fysica. De Einsteins van deze wereld studeren echter niet voor de punten of het geld. Ze ontplooien een gepassioneerde liefde voor de werkelijkheid die ze willen leren kennen.

De ene honderd procent is dan ook de andere niet. “Plus (Latijn: magis) est en vous,” zeggen de jezuïeten. Daarmee dagen ze je uit om gebruik te maken van de ruimte om jezelf te ontwikkelen. Dat betekent niet: jezelf “verbeteren”. Dat betekent wel: jezelf “aanvaarden” met alle mogelijke begrenzingen die daarbij horen, en van daaruit “de best mogelijke versie van jezelf worden”. Als dat op een bepaald moment betekent dat je volgens de normen van een evaluatiesysteem zestig procent behaalt voor fysica, dan is dat maar zo. Die zestig procent is oneindig veel meer waard dan een frauduleus behaalde honderd procent.

De paradox, alweer, is dat jezuïeten vooral de leerling willen uitdagen die op een onwaarachtige manier “goede” punten behaalt. Aan leerlingen die hun zelfwaarde laten afhangen van hun “score” binnen een bepaald maatschappelijk systeem, zeggen zij: “Plus est en vous; wees niet tevreden met wat voldoende of excellent is voor het systeem, maar wees tevreden met wat voldoende of excellent is voor jezelf (en de rest komt dan wel).”

St Irenaeus The Glory of God is a Human Being Fully AliveDe reden waarom een katholieke spiritualiteit in navolging van Christus hamert op een realistische zelfaanvaarding, zelfliefde, zelfontplooiing en ja, “zelfbeschikking”, is eenvoudig: ze is de basisvoorwaarde om “God” (zijnde liefde) toe te laten in je leven. Zelfrespect leidt tot respect voor anderen. De alcoholverslaafde die zichzelf niet langer kan respecteren, kan op den duur ook geen verantwoordelijkheid meer opnemen voor anderen.

Alle voorgaande overwegingen zijn extreem godsdienstig. Ze komen uit het hart van de christelijke traditie. Ze zijn ook heel logisch en worden bevestigd door wetenschappelijk onderzoek (zie De Wachter en Adriaenssens). De fabel dat godsdienstige tradities “irrationeel”, “anti-wetenschappelijk” of “immoreel” zouden zijn en dat ze alleen via “cherry picking” zin bevatten, geloof ik dan ook allang niet meer. Ook labels als “conservatief” of “niet meer van deze tijd” zijn niet van toepassing. Die labels getuigen van een stuitend gebrek aan realiteitszin aangaande de hierboven beschreven christelijke theologie en antropologie.

(3)

Alleszins inspireert elke parabel van de Jezusfiguur uit de evangeliën oneindig veel meer dan een gepolariseerd debat over de vraag of God bestaat. Dat weet ik wel zeker.

Zulk debat mondt immers vaak uit in kinderachtig narcistische wedstrijdjes over wie en wat het schadelijkst is voor de wereld: gelovigen en hun godsdienst of ongelovigen en hun seculiere levensbeschouwingen?

“In het dorp waar ik woon weet iedereen dat die imam kinderen misbruikt, en niemand doet er iets aan…” Dat vertelde een atheïst uit Suriname mij ooit. Hij verwees daarnaar om aan te tonen hoe verderfelijk godsdienstige organisaties wel waren. Tegelijk was hij er trots op dat hij niet tot die – in zijn ogen – “achterlijke” islamitische gemeenschap behoorde. Toen ik hem vroeg of hij al iets aan het misbruik van die kinderen had gedaan, bleef hij mij het antwoord schuldig.

Was die man echt bekommerd om het lot van die kinderen? Of was hij voornamelijk bezig met zijn zelfbeeld en wees hij op het misbruik om zich als de “moreel superieure” te profileren? Jezus’ gelijkenis over een farizeeër en een tollenaar (Lucas 18, 9-14) stelt precies die vraag. Als mens zijn we allen onderhevig aan gelijkaardige dynamieken. Precies daarnaar peilt Jezus, en dat is voor iedereen dus zinvol.

Jezus stelt trouwens nooit de vraag naar het bestaan van God. Wat hij wel doet, is mensen via onder andere verhalen een spiegel voorhouden. Hij vraagt ons naar onze diepste drijfveren. Zo ontmaskert hij vaak niet erkende jaloezie en ressentiment, of de eerzucht die zich soms verschuilt achter morele verontwaardiging. Tegelijk daagt hij ons daarbij uit om op een andere manier in het leven te staan – minder angstvallig en met meer vertrouwen. Of je die evident transcendente liefdesdynamiek ook goddelijk noemt, is een andere kwestie.

Een levensbeschouwelijk gesprek tussen atheïsten en gelovigen op basis van bijvoorbeeld een concrete parabel lijkt mij dan ook veel zinvoller dan een “wollig” dovemansgesprek over het al dan niet absurde karakter van geloven in God. In plaats van bevestiging te zoeken voor een narcistisch superioriteitsgevoel zouden we ons beter bezighouden met de altijd genuanceerde realiteit. Of is dat een vergissing?

I show you doubt to prove that faith exists Robert Browning

Hoe OpenVLD en N-VA zichzelf dreigen te verliezen in hun strijd tegen het katholiek onderwijs

Naar aanleiding van de discussie over de organisatie en de inhoud van het levensbeschouwelijk onderwijs in Vlaanderen schreef ik een opiniestuk voor de website Thomas (over godsdienstonderwijs, KU Leuven). Het stuk kreeg als titel Twee uur levensbeschouwelijke grammatica en woordenschat zijn geen luxe, en werd opgenomen in een online dossier gericht aan de regeringspartijen.

Hierna volgen nog enkele bijkomende bedenkingen.

Korte kroniek van een symbooldossier: politieke spelletjes vs de strijd om een EERLIJK DEBAT

Op de website van Doorbraak (https://doorbraak.be/) verschijnt op 3 september 2019 een artikel van de hand van Pieter Bauwens met als titel Halveren N-VA en OpenVLD aantal uren godsdienst in secundair onderwijs?

Daaruit blijkt dat beide politieke partijen een beknotting van het vak godsdienst beogen, zij het om enigszins verschillende redenen. Dat bemoeilijkt alvast ook op dat vlak een duurzaam pact tussen N-VA en OpenVLD.

Volgens prominente stemmen binnen de N-VA zet het jonge concept van de “katholieke dialoogschool” de deur wagenwijd open voor een sluimerende islamisering van de Vlaamse cultuur. Die kritiek gaat eigenlijk uit van een verkeerde voorstelling van zaken. Niettemin is ze voldoende om een bepaald soort perceptie van het katholiek onderwijs te creëren die kwaad bloed zet bij de bredere achterban van de N-VA. Op de koop toe vervangt de katholieke onderwijskoepel ook nog eens één uur Nederlands in de eerste graad door een nieuw vak Mens & Samenleving – in voege vanaf september 2019. Ook dat is niet naar de zin van veel N-VA’ers. Het vak Nederlands is te belangrijk voor hen om aan de uren ervan te tornen.

Katholieke Dialoogschool.jpg

Zoals N-VA en de andere Vlaamse partijen pleit ook OpenVLD voor een grondig onderwijs van de Nederlandse taal. Wellicht is dat voor OpenVLD voldoende om niet gelukkig te zijn met de afschaffing van een uur Nederlands in de eerste graad van het katholiek onderwijs. Anderzijds kunnen de Vlaamse liberalen moeilijk ontevreden zijn over de lesruimte die een vak als Mens & Samenleving krijgt. Ze ijveren immers al jaren voor de invoering van een vak LEF (“Levensbeschouwing, Ethiek, Filosofie”), en Mens & Samenleving sluit daar inhoudelijk bij aan.

Sterk Nederlands taalonderwijs hangt natuurlijk niet alleen af van het aantal uren Nederlands op een school. Toch schijnen N-VA en OpenVLD vastbesloten om meer uren voor het vak Nederlands te voorzien. Beide partijen zijn het er blijkbaar over eens dat omwille daarvan één van de twee uren godsdienst moet sneuvelen.

Het zal nog moeten blijken of een politieke overwinning op één aspect van het taalbeleid van de katholieke onderwijskoepel opweegt tegen de mogelijke verliezen. OpenVLD zou erin moeten slagen om het enig overgebleven uur godsdienst te laten verdwijnen als ze het vak LEF alsnog op een gebrekkige manier wil invoeren (als een vak van één uur, wat de inhoudelijke ambities van LEF compleet onmogelijk maakt). Of het zou moeten zijn dat OpenVLD eraan denkt om te knippen in het pakket van andere vakken (bijvoorbeeld geschiedenis), maar dat lijkt onwaarschijnlijk. Het is bovendien nog maar de vraag of het vak LEF uiteindelijk nog nodig is. Naast het nieuwe vak Mens & Samenleving is er immers ook een nieuw leerplan voor godsdienst. Dat plan voldoet in meerdere opzichten aan basisverzuchtingen van voorstanders van LEF. De eliminatie van het vak “godsdienst” zou dan vooral een symbolisch statement zijn.

Eist OpenVLD werkelijk dat het katholiek onderwijs het vak godsdienst opgeeft en daarmee ook de vrijheid om zichzelf te zijn? Zal OpenVLD principieel maar één levensbeschouwelijk pedagogisch schoolproject toelaten, inhoudelijk bepaald van staatswege? Dat druist in tegen alle basisprincipes van een partij die zichzelf “liberaal”, “democratisch” en “rationeel” noemt.

Kortom, in haar ideologische strijd tegen de essentie van het katholiek onderwijs bestrijdt de Vlaamse liberale partij paradoxaal genoeg ook zichzelf.

Het is bijzonder twijfelachtig dat N-VA zal meegaan in het begraven van een vak dat essentiële aspecten belicht van levensbeschouwelijke tradities die – ten goede en ten kwade – bepalend zijn geweest voor het Europese zelfbegrip.

Niemand is gebaat bij een cultureel maatschappelijke afkalving door een verzwakt levensbeschouwelijk onderwijs, ook niet als daardoor een zogenaamde “vijand” lijkt te worden vernietigd. De pluraliteit aan stemmen in Vlaanderen heeft bestaansrecht. Laten we dat zo houden.

P.S.: Eerder schreef ik een pamflet dat een aantal verkeerde veronderstellingen en soms valse aantijgingen over het huidige godsdienstonderwijs in kaart brengt en kritisch belicht. Daarvan lees je de korte versie hier, de volledige versie hier.

Het pamflet werd door meer dan 1000 mensen ondertekend (van jong tot oud, van gelovigen tot ongelovigen, van studenten tot professoren). Alsnog ondertekenen kan via volgende link: https://www.kuleuven.be/thomas/page/godsdienst-met-of-zonder-lef/

Katholieke Dialoogschool (vak rooms-katholieke godsdienst)

De storm is voorlopig gaan liggen, maar de ronduit oneerlijke manier waarop sommige opiniemakers het debat over het levensbeschouwelijk onderwijs vaak voeren, vereist een blijvende kritische en wetenschappelijk gefundeerde waakzaamheid.

Joël De Ceulaer is één van die opiniemakers. De inleiding van Knack op een artikel van hem aangaande levensbeschouwelijk onderwijs liegt niet om de laag-bij-de-grondse “trukendoos” die soms wordt bovengehaald:

“Naar aanleiding van de jihadistische aanslagen in en rond Parijs pleitte Knack-journalist Joël De Ceulaer in het Radio 1-programma Hautekiet voor de afschaffing van levensbeschouwelijke schoolvakken. Herlees hier de ‘Lastpost’ die hij daarover schreef in Knack van 5 november 2014.”

Joël De Ceulaer opnieuw pamflet Godsdienst met of zonder LEF

Gelukkig zijn de traditionele media niet de enige spreekbuis meer. Er zijn genoeg nieuwe kanalen waarlangs “dissidente stemmen” zich kenbaar kunnen maken, tot spijt van wie het benijdt…