STAR WARS TUSSEN MYTHE EN EVANGELIE

“Het uiteindelijke idee was om een verhaal over redding te creëren, om te laten zien hoe de schurk eigenlijk de held is.” – George Lucas, in een interview naar aanleiding van AFI Life Achievement Award.

Het doel van het volgende video-essay is om het verschil op het spoor te komen tussen de manier waarop Joseph Campbell mythen begrijpt en de manier waarop René Girard dat doet. Het wil ook hun verschillend begrip van het Evangelie aan het licht brengen.

Joseph Campbell (1904-1987) wordt onder andere geïnspireerd door Carl Gustav Jung (1875-1961). Hij begrijpt het Evangelie als het zoveelste voorbeeld van de mythe. Volgens hem gaan mythen in essentie over een stervende en opnieuw tot leven komende ‘monsterlijke held-god’, wiens noodzakelijke en onvermijdelijke gewelddadige opoffering een altijd voorlopige vrede en orde schept. Bovendien gelooft Joseph Campbell dat dergelijke heldenmythes een onontkoombare dynamiek illustreren die aan het werk is in het menselijk leven en de cultuur, zowel op individueel als op collectief niveau.

René Girard (1923-2015), aan de andere kant, begrijpt het Evangelie als een radicale kritiek op de gewelddadige offercyclus die wordt gerechtvaardigd door traditionele heldenmythen. Het Evangelie neemt de universele mythologische structuur over en ontmaskert haar afhankelijkheid van het leugenachtige zondebokmechanisme van binnenuit. In tegenstelling tot Joseph Campbell laat René Girard zien hoe het Evangelie het idee ondermijnt dat geweld een onvermijdelijke ‘transcendente’ kracht is die de menselijke cultuur beheerst. Het Evangelie laat zien dat geweld menselijk is, niet goddelijk.

De manier waarop het volgende video-essay de gelijkenissen en verschillen tussen Joseph Campbell en René Girard belicht, is door de eerste zes episodes van de Star Wars-filmsaga te analyseren. Zoals bekend werd George Lucas, de bedenker van Star Wars, sterk geïnspireerd door het werk van Joseph Campbell bij de creatie van Star Wars. Campbell zou uiteindelijk zelfs de persoonlijke mentor van George Lucas worden.

Star Wars, begrepen als een ‘mythologische tragedie’, draait om de overeenkomsten en radicale verschillen tussen Mythe en Evangelie, tussen het Offer van de Mythologische Held en het Offer van Christus.

Joseph Campbell en René Girard blijken allebei onmisbare, briljante gidsen te zijn om ‘de magie van de mythe’ bloot te leggen.

Bekijk de onderstaande video (of klik hier om een ​​pdf van de video te bekijken):

 

Star Wars

Tot besluit volgen enkele fragmenten uit interviews met George Lucas over de ideeën die de achtergrond vormen voor de Star Wars saga:

Uit een interview met Ty Burr voor The Boston Globe (25 October 2005):

GEORGE LUCAS: There’s absolutely no conflict between Darwinism and God’s design for the universe – if you believe that it’s God’s design. The problem for me is that I see a very big difference between the Bible and God. And the problem they’re getting into now is that they’re trying to understand intelligent design through the Bible, not through God. Our job is to find all the “intelligent design,” and figure out how He did everything, and I think that’s consistent with science.

All we’re doing in our own fumbly, bumbly, human way with our inadequate little brains is trying to figure out what He did. And once we figure it out, we say “Ooh, that’s great!” And then we just continue on. Will we ever figure out everything? I don’t know. There’ll always be that faith there that there’s something more to figure out.

TY BURR: When you’re in there creating the nitty-gritty of the “Star Wars” universe, figuring out how an inhabitant of a given planet might evolve a given way, do you feel like you’re playing god?

GL: Well, I started out in anthropology, so to me how society works, how people put themselves together and make things work, has always been a big interest. Which is where mythology comes from, where religion comes from, where social structure comes from. Why are these things created? Now we’re getting into more of the social sciences side of the things, but the biological side is starting to float into that. I’m looking forward to the evolution of neuro-anthropology, because I want to see our genes affect how we build our social systems, how we develop our belief systems in terms of our social beliefs and cultural beliefs. We’re at an exciting time.

TB: What’s neuro-anthropology? I’m not familiar with the term.

GL: It doesn’t exist. [laughs] It’s sort of an extension of neuropsychology, which does exist. But the next step is neuro-anthropology.

TB: The nervous systems of social groups?

GL: Yeah. A friend of mine is writing a book on the social interactions of people based on brain research and how the way we interact with other people is affected by the development of our brains in terms of how the synapses and neurons work. You know, like how married couples influence each other just on a neurological level. What I’m interested in is what happens when you take that to the next level. How do the social institutions reflect the neural activity of the individuals. But that’s an outgrowth of how, in the case of “Star Wars,” I’ve taken psychological motifs from 4,000-year-old stories and put them into a modern vernacular. The reason they worked then is that they were told verbally over and over and over and handed down from father to son. Because they were tested by an audience for thousands of years, they have a certain emotional integrity to them, and you can take those little modules and stick them into a story as they are. They work well because emotionally we have not shifted all that much in the last 4,000 years, whereas intellectually we have.

TB: Are you saying that motifs like the lone hero coming to grips with his father are encoded into our cultural DNA?

GL: I see mythology as a kind of archeological psychology, in which you take psychological fossils that sit in our brain and test to see if they’re still working.

TB: Does your penchant for painting detailed pictures of entire societies come from these interests?

GL: Yes. Also, I love history, so while the psychological basis of “Star Wars” is mythological, the political and social bases are historical. I like to take things and strip them down, then use the model and build a different story on it. You can put in a motif of Saturday-afternoon serials to make it relevant to kids of today, but the political situation of the Empire and the Republic — that’s a scenario that’s been played out thousands of times over the years and that never seems to change much.

I had an interesting discussion when I was doing publicity in Europe for the final “Star Wars” movie. I was sitting around with a dozen reporters, and the Russian correspondents all thought the film was about Russian politics, and the Americans all thought it was about Bush. And I said, “Well, it’s really based on Rome. And on the French Revolution and Bonaparte.” It’s shocking that these things get repeated through history. The same mistakes get made and the tension between democracy and tyranny is always the same. And we haven’t figured out any way around it.

Uit een interview met James Cameron (in zijn serie Story of Science Fiction, 2018), waarin George Lucas enkele beweringen doet die waarschijnlijk “schandalig” klinken in de oren van sommigen: de “goede” Jedi uit de Star Wars filmsaga worden vergeleken met “terroristen”. Lucas praat in dat verband over de Viet Cong, terwijl Cameron Moedjahedin vermeldt. Hun dialoog verwijst met andere woorden naar de onderliggende gelijkenissen tussen tegenstanders in wat René Girard “mimetische rivaliteit” zou noemen (rivaliteit gebaseerd op imitatie):

“Het uiteindelijke idee was om een verhaal over redding te creëren, om te laten zien hoe de schurk eigenlijk de held is.” – George Lucas, in een interview naar aanleiding van AFI Life Achievement Award:

 

 

Godsdienstonderwijs 2.0

HET VERHAAL VAN PETRUS

(NAAR MT 26)

Petrus was net verhuisd. Toch voelde hij zich vrij zelfzeker op zijn nieuwe school omdat hij ten minste een van zijn medescholieren al kende: een jongen genaamd Jezus. Petrus realiseerde zich echter niet dat Jezus hevig gepest werd door sommige van Petrus zijn nieuwe klasgenoten, hoewel Jezus tot een andere klas behoorde. Toen Petrus eenmaal begreep hoe de vork in de steel zat, nam hij een “wijze” beslissing om zijn ANGST voor sociale uitsluiting te bezweren: om de waardering van zijn nieuwe klasgenoten te verkrijgen, nam hij afstand van Jezus. Petrus deed alsof hij Jezus helemaal niet zo goed kende. Het bezorgde Petrus de EER van een goede reputatie in de wereld van zijn klasgenoten (klik voor Matteüs 26, 69-74a). Door het spel van de groep mee te spelen en zich niet met Jezus bezig te houden, kreeg Petrus controle en MACHT over de nieuwe situatie waarin hij zich bevond. Gaandeweg verwierf hij zekerheid over zijn positie binnen de groep. Na enkele weken voelde Petrus zich helemaal comfortabel op zijn nieuwe school. Hij ervoer veel GENOT in aanwezigheid van zijn nieuwe vrienden en hij verdronk in de WEELDE van hun rijkeluisfeestjes. Het feit dat zijn vrienden niet hem aanvaardden maar alleen het imago waaraan hij trachtte te voldoen, deerde hem niet al te erg. Zelfverloochening leek helemaal geen dramatische “verkoop van je ziel” als je in ruil daarvoor een wereld van eer, macht, genot en weelde won (klik voor Marcus 8, 35-36). Waarom zou je jezelf respecteren als de beloningen voor een gebrek aan zelfrespect zo goed voelden?

Om een lang verhaal kort te maken: Petrus genoot met volle teugen van zijn leven totdat hij op een dag Jezus opnieuw tegen het lijf liep. Die was in elkaar geslagen door enkele van Petrus’ klasgenoten. Vanaf die dag nam Petrus een beslissing die “dwaas” zou hebben geklonken in de oren van zijn vrienden en van zijn vroegere zelf (klik voor 1 Kor 1, 20b-29). Geconfronteerd met het slachtoffer van de wereld waarvan hij deel had uitgemaakt, besloot Petrus zijn leven niet langer te laten definiëren door het streven naar eer, macht, genot en weelde (klik voor Mt 5, 1-11). Zijn hele identiteit werd getransformeerd door de liefde voor de vijand van de groep waartoe hij behoorde (klik voor 1 Joh 4, 16b). De angst voor “sociale afstraffing” en om “dood” te zijn voor zijn klasgenoten veranderde in een vrees voor de “moord” op anderen (klik voor 1 Joh 4, 17b-18). Petrus beschouwde eer en genot niet langer als doelen op zich, maar als mogelijke gevolgen van een leven in liefde. Als partij kiezen voor de gemarginaliseerde ander hem ONEERVOL maakte in de ogen van sommige van zijn klasgenoten, dan was dat maar zo. Hij was bereid om daarover te discussiëren. Petrus verkoos niet-gewelddadig conflict in zijn eigen “huis” boven de gewelddadige vrede en eenheid die parasiteerde op een gemeenschappelijke externe vijand (klik voor Matteüs 10, 34-36). Hij wou geen vrede die gebaseerd was op uitsluiting. Hij verlangde een ander soort vrede die niet op offers was gebaseerd (klik voor Johannes 14, 27).

Het goede willen voor iemand die meer dan genoeg redenen heeft om je te haten, levert GEEN GENOT op. Het voelt op zijn zachtst gezegd onwennig aan, maar dat hield Petrus niet tegen. De LIEFDE die hij had ontdekt en die de basis werd voor zijn leven, was niet afhankelijk van enig mogelijk resultaat. Petrus zou anderen liefhebben, zelfs als bijvoorbeeld hun afscheid, hun lijden of hun dood hem verdriet zou doen. En zelfs als anderen zijn liefde niet met liefde beantwoordden. Onafhankelijk van gelijk welk resultaat kan de liefde die Petrus draagt op een paradoxale manier almachtig worden genoemd. Ook als zijn klasgenoten en hun wereld hem zouden haten (klik voor 1 Joh 3, 13-14), zou Petrus niet ophouden om zich kwetsbaar en zelfs MACHTELOOS op te stellen vanuit het perspectief van die wereld (klik voor Johannes 15, 19). Als hij al een machtspositie zou aanvaarden, dan zou hij dat niet langer doen om anderen te domineren maar dan zou hij die macht gebruiken als een middel om anderen te dienen (klik voor Lucas 22, 24-27). Op dezelfde manier zou Petrus ook niet langer weelde nastreven als een doel op zich, maar opnieuw als een middel om anderen te dienen. In ieder geval zou zijn geest ARM aan zorgen zijn inzake zijn bezittingen.

Als Petrus zich al zorgen maakte en zich schuldig voelde, dan was het niet langer omdat hij misschien niet aan de verwachtingen van de wereld van zijn klasgenoten beantwoordde, maar omdat de liefde hem had geopenbaard hoe hij anderen had gekwetst. Petrus was niet voor of tegen de sociale regels en wetten die heersten (klik voor Matteüs 5, 17), maar terwijl hij vroeger voor of tegen regels was om ergens aanzien te verwerven, stelde hij zich nu de vraag op welke manier de regels het best de doelen van een liefdevolle gerechtigheid dienden (klik voor Marcus 2, 23-28). Met andere woorden, de geest van de wet werd voor Petrus belangrijker dan de letter van de wet (zie Paulus alsook Marcus 12, 29-31). De liefde bevrijdde Petrus van het verslavend verlangen naar erkenning. Liefde werd zijn “Schepper”: de identiteit van Petrus hing niet langer af van zijn positie in een door mensen gecreëerde sociale omgeving, maar van een liefde die, als een frisse wind wars van de bekommernissen om eer, macht, genot en weelde, relaties aanknoopte met al wie en wat zogezegd “geen betekenis” had (klik voor Johannes 3, 8 en voor 1 Kor 1, 20b-29). Door partij te kiezen voor Jezus en het gemarginaliseerde slachtoffer van om het even welke groep, verloor Petrus een onwaarachtig leven in functie van eer, macht, genot en weelde, en redde hij uiteindelijk zijn zelfrespect (klik voor Marcus 8, 35-36). De keuze voor liefde, voor het beminnen van de ander (wat in het evangelie onder andere wordt uitgedrukt met de termen “koninkrijk van God en zijn gerechtigheid”) heeft als gevolg dat Petrus zichzelf bemint (klik voor Matteüs 6, 33-34).

[Vergelijk Mt 6, 19-34 met volgend fragment uit de hindoeïstische Bhagavad-Gita: “Je hebt recht te werken, maar alleen omwille van het werk. Je hebt geen recht op de vruchten van het werk. Het verlangen naar de vruchten van het werk mag nooit je motief om te werken zijn. Maar geef ook nooit toe aan luiheid. Verricht elke daad met je hart gericht op de Allerhoogste Heer (het Brahman). Wijs gehechtheid aan de vruchten af. Wees gelijkmoedig in succes en mislukking; want deze gelijkmoedigheid wordt bedoeld met yoga. Werk dat wordt gedaan met bezorgdheid om de resultaten is veruit inferieur aan het werk dat wordt gedaan zonder die bezorgdheid, in de kalme staat van overgave. Zoek toevlucht in de kennis van Brahman. Zij die eerzuchtig voor resultaten werken, zijn beklagenswaardig.”]

Het verhaal van Petrus eindigt, kortom, met een Petrus die weigert om nog langer deel te nemen aan een wereld die is gebaseerd op offers. De liefde heeft Petrus de waarheid omtrent zichzelf doen ontdekken: hij is een vervolger geweest, iemand die zijn medemens kwaad doet. Gehoorzamend aan die liefde wordt Petrus, paradoxaal genoeg, vrij van de “duistere machten en krachten” die vaak deze wereld beheersen. Omdat hij niet langer in de ban is van de duistere gehechtheid aan eer, macht, genot en weelde, is Petrus ook niet langer dood voor zichzelf en anderen (klik voor 1 Joh 3, 13-14).

Wie het opneemt voor wie wordt gepest, loopt evenwel het gevaar om zelf ook te worden gepest. Petrus weigert de “afgodendienst van het sociale succes” en weigert aldus iedere vorm van “zelfkruisiging” (hij zet geen “masker” op om populair te zijn), maar loopt daardoor ook het gevaar dat hij zal “gekruisigd worden”. Natuurlijk hoopt hij dat de wereld in staat is om te kiezen voor “barmhartigheid en geen offers” (klik voor Matteüs 9, 13), alleen weet hij niet op voorhand of de wereld die keuze zal maken. Wie niet buigt voor het bedrieglijke, vernietigende verlangen naar totale controle (“de almachtige god die alle touwtjes in handen heeft”), maar wel leeft vanuit een God die liefde is, kan anderen redden maar zichzelf niet (klik voor Matteüs 27, 39-44). Als je het opneemt voor wie wordt gepest, leg je je lot immers in handen van anderen die zich al dan niet tot “de liefde” zullen bekeren. Voor hetzelfde geld word je ook gepest. Als er dan toch nog sprake is van “almacht” in deze context, dan ligt ze in het feit dat je zelfrespect niet afhangt van het respect dat je al dan niet van anderen ontvangt (zelfs als die ander een “god” zou zijn). De narcist is afhankelijk van de erkenning die hij van andere mensen krijgt voor een onwaarachtig zelfbeeld. De mens die zich door de goddelijke liefde gedragen weet, kan de realiteit van en omtrent zichzelf en anderen op een completere manier beleven.

HET VERHAAL VAN MARIA

Het verhaal van Petrus doet denken aan het verhaal van Maria. Maria was het slachtoffer van een verkrachting waardoor ze zwanger werd. Haar familie had haar gedwongen om met haar “vriend(-verkrachter)” Saul te huwen. Ze werd vaak geslagen door haar echtgenoot. Hij slaagde er bovendien in om haar een schuldgevoel te geven over dat geweld, alsof ze de slagen “verdiende”. In werkelijkheid was Maria een zondebok: ze werd beschuldigd van zaken waarvoor ze niet verantwoordelijk was. Jammer genoeg duurde het jaren vooraleer Maria zich realiseerde hoezeer ze door Saul en haar familie was gemanipuleerd.

Jarenlang leefde Maria in ANGST. Ze dwong zichzelf om iemand te zijn die waardering zou krijgen van haar echtgenoot, en geen slagen. Daarin lag haar EER, dacht ze. Terwijl ze MACHT probeerde te verwerven over het gedrag van haar man verloor ze zichzelf echter meer en meer. Ze jaagde werkelijk een illusie na in haar pogingen om GENOT in haar gezinsleven te vinden. Daarbovenop maakte ze zich zorgen over het verlies van WEELDE als haar echtgenoot haar zou verlaten. Ze vreesde dat ze de eindjes niet aan elkaar zou kunnen knopen als ze er alleen zou voor staan. Alleen toen Saul ook hun zoon Stephanus in elkaar begon te slaan, herwon ze haar zelfrespect: de liefde voor het slachtoffer van de situatie waarvan ze deel uitmaakte, opende haar ogen voor de waarheid dat ze de ene na de andere illusie had nagejaagd, en bevrijdde haar van de verslavende gehechtheid aan eer, macht, genot en weelde.

Zowel Petrus als Maria keerden zich af van een leven in functie van een imago dat waardering moest opleveren. Petrus verheerlijkte zichzelf niet langer. Hij deed afstand van zijn superioriteitsgevoel. Daardoor kreeg hij waarachtig respect voor zichzelf en keek hij niet langer neer op anderen (onder wie Jezus). Maria verheerlijkte haar echtgenoot niet langer, waardoor ze zich bevrijdde van een minderwaardigheidscomplex en ook zij meer respect kreeg voor zichzelf. Het herwonnen zelfrespect leidde bij beiden tot meer respect voor (onderdrukte) anderen. Anderen werden niet langer benaderd als middelen die het onrealistisch zelfbeeld van Petrus en Maria moesten bevestigen, maar als doelen op zich.

Zowel het verhaal van Petrus als van Maria openbaart de bekering tot een levenswijze waarop de christelijke traditie in essentie doelt.

EEN SAMENVATTING:

(klik hier voor pdf van het overzicht, en klik hier voor pdf inzake zaligsprekingen en voor post over zaligsprekingen en religieuze geloftes)

AGAPE LIEFDE

 

Zie ook, naar aanleiding van de discussie over de toekomst van de levensbeschouwelijke vakken in België: Pamflet Godsdienst met of zonder LEF? (pdf van lange versie) en Pamflet Godsdienst met of zonder LEF? (pdf van korte versie).

KLIK HIER OM HET PAMFLET INZAKE DE TOEKOMST VAN ONAFHANKELIJK LEVENSBESCHOUWELIJK ONDERWIJS TE TEKENEN.

Voor meer over de discussie omtrent het pamflet: klik hier.

Uit het bovenstaande moet alleszins blijken dat het hedendaagse godsdienstonderwijs in Vlaanderen voldoet aan een aantal essentiële didactische en pedagogische vereisten:

Toegankelijk voor alle leerlingen? Check.

Betrokken op het concrete en actuele leven? Check.

Vertrekkend van Bijbelteksten die aanzetten tot kritische reflectie? Check.

Rationeel en wetenschappelijk verantwoord? Check.

In open dialoog met andere (niet-)godsdienstige levensbeschouwingen? Check.

Kortom, de godsdienstles dient vandaag meer dan ooit de pedagogie van een spirituele (zelfkritische en relationele) levenshouding en levert in die zin een essentiële bijdrage aan een betrokken, verantwoordelijk burgerschap.

Zijn al mijn leerlingen in staat om de “evangelische paradox” te begrijpen? Zijn ze, met andere woorden, in staat om inzicht te verwerven in de kern van een christelijke levenswijze (ook als ze hun leven op een andere manier wensen vorm te geven)? Het antwoord op die vragen is ondubbelzinnig “ja”.

Zijn al mijn leerlingen in staat om de antropologische, psychosociale, historische en filosofische implicaties van die “evangelische paradox” voldoende adequaat te doordenken? Het antwoord op die vraag is onvermijdelijk “nee”, maar tussen de basis en de verdere uitweidingen ligt de boeiende taak van de lesgever die – zo goed en zo kwaad als het kan – tracht te “diversifiëren”.

In ieder geval vat het bovenstaande het “minimum” van mijn godsdienstlessen samen. Ieder moet maar voor zichzelf uitmaken in hoeverre dat “aanstootgevend” of “indoctrinerend” zou zijn.

 

The TRUTH that sets us FREE to LOVE

[ZIE VERDER VOOR GEDEELTELIJKE NEDERLANDSE VERTALING]

THE STORY OF PETER

Peter was the new kid in town. Still he felt rather confident at his new school since he knew at least one of his schoolmates beforehand, a guy named Jesus. What Peter didn’t realize, however, was the fact that Jesus was heavily bullied by Peter’s new classmates, although Jesus was in another class. When he became aware of the situation, Peter made a “wise” decision to battle his FEAR of becoming an outcast. To gain the approval of his new classmates, he disassociated himself from Jesus. He pretended not to know Jesus that well. By playing along with the crowd Peter protected his good reputation and HONOR (see below Matthew 26:69-74). It was also a good way to ensure his position within the group; playing along gave Peter control and POWER over what could have been a precarious situation. After a few weeks Peter felt pretty comfortable going to school. Being among his new friends gave him lots of PLEASURE as he enjoyed the WEALTH of their luxurious parties. The fact that his friends did not accept him but only the image he forced himself into did not seem to bother Peter too much. After all, wasn’t that kind of over-dramatically characterized “selling your soul” self-denial in reality but a small price to pay in order to gain this world of honor, power, pleasure and wealth (see below Mark 8:35-36)? Why respect yourself if the rewards of not respecting yourself felt so good?

To make a long story short, Peter’s new life went pretty well until he ran into Jesus one day. Jesus was severely beaten up by some of Peter’s classmates. From that day onwards, Peter made a decision that would have sounded “foolish” to his friends and to his former self (see below 1 Corinthians 1:20b-25). In the face of the victim of the world he had been a part of, Peter decided to abandon a life that was defined by the pursuit of honor, power, pleasure and wealth (see Matthew 5, 1-11). His whole identity was transformed by the love for the enemy of the group he belonged to (see below 1 John 4:16). The fear of being “dead” to his classmates and of “social punishment” changed into a fear of being the cause of the “murder” of others (see below 1 John 4:17b-18). Peter also no longer considered honor and pleasure as ends in themselves, but as possible consequences of a life in love. If taking sides with the marginalized other made Peter DISHONORABLE in the eyes of some of his classmates, then so be it. Peter chose non-violent conflict in his own “house” over the violent peace and unity at the expense of excluded others (see below Matthew 10:34-36). He did not want that kind of sacrificial peace. He desired a different kind of peace, not based on “sacrifice” (see below John 14:27).

If willing the good of someone who had every reason to hate him made Peter feel UNPLEASURABLE, then so be it. The LOVE that was discovered by Peter and that became the basis of his life did not depend on whatever outcome. He would still love others even if, for instance, their farewell or their suffering or death would make him sad and wouldn’t bring him any pleasure at all. Independent of whatever outcome, the love Peter lived by can be called all-powerful in a paradoxical sense. Even if his classmates and their world would hate him (see below 1 John 3:13-14), Peter wouldn’t avoid being vulnerable and eventually POWERLESS from the perspective of that world (see below John 15:19). He would not seek power to dominate others but as a means to serve them (see below Luke 22:24-27), at most. Equally, Peter would not seek wealth as end in itself but as a means to serve others, at most. His spirit would be POOR in worries with regard to his possessions.

If Peter felt worried and guilty at all it was no longer because he didn’t live up to the expectations of the world of his classmates, but because love informed him that he had hurt others. Peter no longer respected social rules and laws because they would gain him recognition, but only insofar as they would be helpful in the service of love (see below Mark 2:23-28; see also Mark 12:29-31 and Paul on “spirit of the law vs letter of the law”); neither would he transgress rules because it would grant him a new social status among “the cool dudes” (see below Matthew 5:17). Love detached Peter from the addictive desire for approval. He tried to no longer imitate a man-made social environment based on exclusion but tried to imitate the flexible ways of love (blowing like the wind, free from all the man-made attachments – see below John 3:8). Love became his “Creator”. In taking sides with Jesus and the marginalized victim of whatever group, Peter lost a “masqueraded” life that was defined by the attachment to honor, power, pleasure and wealth, and he eventually saved his self-respect (see below Mark 8:35-36).

In short, Peter’s story ends with his refusal to take part in the sacrifice of others and therefore he runs the risk of being sacrificed or crucified himself, although he of course hopes that the world is able to show “mercy, not sacrifice” (see below Matthew 9:13). Peter refuses to “crucify himself” to participate in the masquerade of the attachment to approval and therefore he runs the risk of “being crucified”. Peter is willing to run that risk because of his obedience to the demands of love, which is an obedience that allows him to accept the truth about himself as a former persecutor and which sets him free from the destructive “powers and principalities” often governing this world. Because of love, Peter is no longer dead to himself and others (see below 1 John 3:13-14).

THE STORY OF MARY

Peter’s story is reminiscent of Mary’s story. Mary was the victim of a rape that made her pregnant and she was forced by her family to marry her “boyfriend(-rapist)” Saul. She was often beaten by her husband who could make her feel guilty about the beatings, as if she “deserved” them. In reality, Mary was a scapegoat. She was blamed for things she wasn’t guilty of. Sadly enough it took years for Mary to realize how badly she had been manipulated.

For years Mary lived in FEAR. She forced herself to be someone who would receive the approval of her husband, not his beatings. That’s where her HONOR lay, or so she thought. In trying to gain POWER over her husband’s behavior, however, she lost herself more and more. She was really hunting an illusion in her attempts to turn her family life into a comfortable environment of PLEASURE like the one of her best friend. Moreover, she worried about losing the WEALTH of her husband too. She thought that she would not be able to make a living of her own. It was only when her husband started beating her son too that she regained her self-respect: the love for this victim of the situation she had been part of, opened her eyes for the truth that she had hunted one illusion after the other, and liberated her from the addictive attachment to honor, power, pleasure and wealth.

Both the above stories of Peter and Mary show what the Christian tradition is essentially about. Christianity thus:

  • subverts any system (religious or secular) that originates from man’s attachment to honor, power, pleasure and/or wealth (attachments that are based on fear of death), even if that system calls itself “Christian”. Explanations on the origin of religion that rely on man’s attachment to honor, power, pleasure and/or wealth thus do not explain the origin of Christianity as such (but of perverted versions of Christianity). Explanations like the one proposed by Yuval Noah Harari’s (in Sapiens) should be evaluated from this perspective.
  • believes that love is a divine reality, which is not a sentiment or a feeling, but an active willing of the good of the other as other. This divine reality thus is not all-powerful in the sense that it controls everything, but in the sense that it is independent of any calculations about possible outcomes. Love gives itself, regardless of the question whether it is accepted or not. That’s why “grace” is what it is. God as “Creator” should be thought of as a loving dynamic that seeks to hold everything together, although not as an all-controlling entity (see Matthew 27:39-44).
  • shows the futility of many of the things we consider “meaningful” and thus opens up our eyes for a more comprehensive look on reality.
  • does not easily comfort because it challenges us to abandon our “comfort zone”.
  • is not “irrational”. On the contrary, it has a very sharp and clear view on the reality of human life and its absurdities, opening up a logic that could save human life from its absurdities.
  • testifies to a spirituality of “a love for reality because of reality itself, without ulterior motives” that can be found within other traditions as well.
  • is non-dualistic, as it does not seek the destruction of a so-called “evil world” but its transformation and fulfilment through love.
  • is not about “seeking the approval of God”, but is about the paradox of obeying the liberating demands of a love that needs no approval.

SUMMARY (click here for pdf):

AGAPE LOVE

To finish, some excerpts from the Bible on which all of the above is based:

Matthew 26, especially 26:69-74: Now Peter was sitting out in the courtyard, and a servant girl came to him. “You also were with Jesus of Galilee,” she said. But he denied it before them all. “I don’t know what you’re talking about,” he said. Then he went out to the gateway, where another servant girl saw him and said to the people there, “This fellow was with Jesus of Nazareth.” He denied it again, with an oath: “I don’t know the man!” After a little while, those standing there went up to Peter and said, “Surely you are one of them; your accent gives you away.” Then he began to call down curses, and he swore to them, “I don’t know the man!”

Sermon on the Mount (Matthew 5-7), especially the Beatitudes (click here for more).

1 Corinthians 1:20b-25: Has not God made foolish the wisdom of the world? For since in the wisdom of God the world through its wisdom did not know him, God was pleased through the foolishness of what was preached to save those who believe. Jews demand signs and Greeks look for wisdom, but we preach Christ crucified: a stumbling block to Jews and foolishness to Gentiles, but to those whom God has called, both Jews and Greeks, Christ the power of God and the wisdom of God. For the foolishness of God is wiser than human wisdom, and the weakness of God is stronger than human strength.

1 John 4:16: God is love. Whoever lives in love lives in God, and God in them.

1 John 4:17b-18: There is no fear in love. But perfect love drives out fear, because fear has to do with punishment. The one who fears is not made perfect in love.

Matthew 10:34-36: “Do not suppose that I have come to bring peace to the earth. I did not come to bring peace, but a sword. For I have come to turn ‘a man against his father, a daughter against her mother, a daughter-in-law against her mother-in-law – a man’s enemies will be the members of his own household.'”

John 14:27: “Peace I leave with you; my peace I give you. I do not give to you as the world gives. Do not let your hearts be troubled and do not be afraid.”

Matthew 9:13: “Go and learn what this means: ‘I desire mercy, not sacrifice.For I have not come to call the righteous, but sinners.”

Mark 8:35-36: “For whoever wants to save their life will lose it, but whoever loses their life for me and for the gospel will save it. What good is it for someone to gain the whole world, yet forfeit their soul?”

John 15:19: “If you belonged to the world, it would love you as its own. As it is, you do not belong to the world, but I have chosen you out of the world. That is why the world hates you.”

1 John 3:13-14: Do not be surprised, my brothers and sisters, if the world hates you. We know that we have passed from death to life, because we love each other. Anyone who does not love remains in death.

Luke 22:24-27: A dispute also arose among the disciples as to which of them was considered to be greatest. Jesus said to them, “The kings of the Gentiles lord it over them; and those who exercise authority over them call themselves Benefactors. But you are not to be like that. Instead, the greatest among you should be like the youngest, and the one who rules like the one who serves. For who is greater, the one who is at the table or the one who serves? Is it not the one who is at the table? But I am among you as one who serves.”

Mark 2:23-28: One Sabbath Jesus was going through the grainfields, and as his disciples walked along, they began to pick some heads of grain. The Pharisees said to him, “Look, why are they doing what is unlawful on the Sabbath?” He answered, “Have you never read what David did when he and his companions were hungry and in need? In the days of Abiathar the high priest, he entered the house of God and ate the consecrated bread, which is lawful only for priests to eat. And he also gave some to his companions.” Then he said to them, “The Sabbath was made for man, not man for the Sabbath. So the Son of Man is Lord even of the Sabbath.”

Matthew 5:17: “Do not think that I have come to abolish the Law or the Prophets; I have not come to abolish them but to fulfill them.”

John 3:8: “The wind blows wherever it pleases. You hear its sound, but you cannot tell where it comes from or where it is going. So it is with everyone born of the Spirit.”

P.S.: THANKS TO James Alison, Robert Barron, René Girard, Emmanuel Levinas and many others for the inspiring insights into the reality of Christian life.

HET VERHAAL VAN PETRUS

Petrus was net verhuisd. Toch voelde hij zich vrij zelfzeker op zijn nieuwe school omdat hij ten minste een van zijn medescholieren al kende: een jongen genaamd Jezus. Petrus realiseerde zich echter niet dat Jezus hevig gepest werd door sommige van zijn nieuwe klasgenoten, hoewel Jezus tot een andere klas behoorde. Toen Petrus eenmaal begreep hoe de vork in de steel zat, nam hij een “wijze” beslissing om zijn ANGST voor sociale uitsluiting te bezweren: om de waardering van zijn nieuwe klasgenoten te verkrijgen, nam hij afstand van Jezus. Petrus deed alsof hij Jezus helemaal niet zo goed kende. Het bezorgde Petrus de EER van een goede reputatie in de wereld van zijn klasgenoten (klik voor Matteüs 26, 69-74a). Door het spel van de groep mee te spelen en zich niet met Jezus bezig te houden, kreeg Petrus controle en MACHT over de nieuwe situatie waarin hij zich bevond. Gaandeweg verwierf hij zekerheid over zijn positie binnen de groep. Na enkele weken voelde Petrus zich helemaal comfortabel op zijn nieuwe school. Hij ervoer veel GENOT in aanwezigheid van zijn nieuwe vrienden en hij verdronk in de WEELDE van hun rijkeluisfeestjes. Het feit dat zijn vrienden niet hem aanvaardden maar alleen het imago waaraan hij trachtte te voldoen, deerde hem niet al te erg. Zelfverloochening leek helemaal geen dramatische “verkoop van je ziel” als je in ruil daarvoor een wereld van eer, macht, genot en weelde won (klik voor Marcus 8, 35-36). Waarom zou je jezelf respecteren als de beloningen voor een gebrek aan zelfrespect zo goed voelden?

Om een lang verhaal kort te maken: Petrus genoot met volle teugen van zijn leven totdat hij op een dag Jezus opnieuw tegen het lijf liep. Die was in elkaar geslagen door enkele van Petrus’ klasgenoten. Vanaf die dag nam Petrus een beslissing die “dwaas” zou hebben geklonken in de oren van zijn vrienden en van zijn vroegere zelf (klik voor 1 Kor 1, 20b-29). Geconfronteerd met het slachtoffer van de wereld waarvan hij deel had uitgemaakt, besloot Petrus zijn leven niet langer te laten definiëren door het streven naar eer, macht, genot en weelde (klik voor Mt 5, 1-11). Zijn hele identiteit werd getransformeerd door de liefde voor de vijand van de groep waartoe hij behoorde (klik voor 1 Joh 4, 16b). De angst voor “sociale afstraffing” en om “dood” te zijn voor zijn klasgenoten veranderde in een vrees voor de “moord” op anderen (klik voor 1 Joh 4, 17b-18). Petrus beschouwde eer en genot niet langer als doelen op zich, maar als mogelijke gevolgen van een leven in liefde. Als partij kiezen voor de gemarginaliseerde ander hem ONEERVOL maakte in de ogen van sommige van zijn klasgenoten, dan was dat maar zo. Hij was bereid om daarover te discussiëren. Petrus verkoos niet-gewelddadig conflict in zijn eigen “huis” boven de gewelddadige vrede en eenheid die parasiteerde op een gemeenschappelijke externe vijand (klik voor Matteüs 10, 34-36). Hij wou geen vrede die gebaseerd was op uitsluiting. Hij verlangde een ander soort vrede die niet op offers was gebaseerd (klik voor Johannes 14, 27).

Het goede willen voor iemand die meer dan genoeg redenen heeft om je te haten, levert GEEN GENOT op. Het voelt op zijn zachtst gezegd onwennig aan, maar dat hield Petrus niet tegen. De LIEFDE die hij had ontdekt en die de basis werd voor zijn leven, was niet afhankelijk van enig mogelijk resultaat. Petrus zou anderen liefhebben, zelfs als bijvoorbeeld hun afscheid, hun lijden of hun dood hem verdriet zou doen. Onafhankelijk van gelijk welk resultaat kan de liefde die Petrus draagt op een paradoxale manier almachtig worden genoemd. Ook als zijn klasgenoten en hun wereld hem zouden haten (klik voor 1 Joh 3, 13-14), zou Petrus niet ophouden om zich kwetsbaar en zelfs MACHTELOOS op te stellen vanuit het perspectief van die wereld (klik voor Johannes 15, 19). Als hij al een machtspositie zou aanvaarden, dan zou hij dat niet langer doen om anderen te domineren maar dan zou hij die macht gebruiken als een middel om anderen te dienen (klik voor Lucas 22, 24-27). Op dezelfde manier zou Petrus ook niet langer weelde nastreven als een doel op zich, maar opnieuw als een middel om anderen te dienen. In ieder geval zou zijn geest ARM aan zorgen zijn inzake zijn bezittingen.

Als Petrus zich al zorgen maakte en zich schuldig voelde, dan was het niet langer omdat hij misschien niet aan de verwachtingen van de wereld van zijn klasgenoten beantwoordde, maar omdat de liefde hem had geopenbaard hoe hij anderen had gekwetst. Petrus was niet voor of tegen de sociale regels en wetten die heersten (klik voor Matteüs 5, 17), maar terwijl hij vroeger voor of tegen regels was om ergens aanzien te verwerven, stelde hij zich nu de vraag op welke manier de regels het best de doelen van een liefdevolle gerechtigheid dienden (klik voor Marcus 2, 23-28). Met andere woorden, de geest van de wet werd voor Petrus belangrijker dan de letter van de wet (zie Paulus alsook Marcus 12, 29-31). De liefde bevrijdde Petrus van het verslavend verlangen naar erkenning. Liefde werd zijn “Schepper”: de identiteit van Petrus hing niet langer af van een door mensen gecreëerde sociale omgeving, maar van een liefde die, als een frisse wind wars van de bekommernissen om eer, macht, genot en weelde, relaties aanknoopte met al wie en wat zogezegd “geen betekenis” had (klik voor Johannes 3, 8). Door partij te kiezen voor Jezus en het gemarginaliseerde slachtoffer van om het even welke groep, verloor Petrus een onwaarachtig leven in functie van eer, macht, genot en weelde, en redde hij uiteindelijk zijn zelfrespect (klik voor Marcus 8, 35-36).

Het verhaal van Petrus eindigt, kortom, met een Petrus die weigert om nog langer te participeren aan een wereld die is gebaseerd op offers. De liefde heeft Petrus de waarheid omtrent zichzelf doen ontdekken: hij is een vervolger geweest, iemand die zijn medemens kwaad doet. Gehoorzamend aan die liefde wordt hij, paradoxaal genoeg, vrij van de “duistere machten en krachten” die vaak deze wereld beheersen. Omdat hij niet langer in de ban is van de duistere gehechtheid aan eer, macht, genot en weelde, is hij ook niet langer dood voor zichzelf en anderen (klik voor 1 Joh 3, 13-14).

Wie het opneemt voor wie wordt gepest, loopt evenwel het gevaar om zelf ook te worden gepest. Petrus weigert de “afgodendienst van het sociale succes” en weigert aldus iedere vorm van “zelfkruisiging”, maar loopt daardoor ook het gevaar dat hij zal “gekruisigd worden”. Natuurlijk hoopt hij dat de wereld in staat is om te kiezen voor “barmhartigheid en geen offers” (klik voor Matteüs 9, 13), alleen weet hij niet op voorhand of de wereld die keuze zal maken. Wie niet buigt voor het bedrieglijke, vernietigende verlangen naar totale controle (“de almachtige god die alle touwtjes in handen heeft”), maar wel leeft vanuit een God die liefde is, kan anderen redden maar zichzelf niet (klik voor Matteüs 27, 39-44). Als je het opneemt voor wie wordt gepest, leg je je lot immers in handen van anderen die zich al dan niet tot “de liefde” zullen bekeren. Voor hetzelfde geld word je ook gepest. Als er dan toch nog sprake is van “almacht” in deze context, dan ligt ze in het feit dat je zelfrespect niet afhangt van het respect dat je al dan niet van anderen ontvangt als je vanuit de goddelijke liefde leeft. De narcist is afhankelijk van de erkenning die hij van andere mensen krijgt voor een onwaarachtig zelfbeeld. De mens die zich door de liefde gedragen weet, kan de realiteit van en omtrent zichzelf en anderen op een completere manier beleven.

HET VERHAAL VAN MARIA

Het verhaal van Petrus doet denken aan het verhaal van Maria. Maria was het slachtoffer van een verkrachting waardoor ze zwanger werd. Haar familie had haar gedwongen om met haar “vriend(-verkrachter)” Saul te huwen. Ze werd vaak geslagen door haar echtgenoot. Hij slaagde er bovendien in om haar een schuldgevoel te geven over dat geweld, alsof ze de slagen “verdiende”. In werkelijkheid was Maria een zondebok: ze werd beschuldigd van zaken waarvoor ze niet verantwoordelijk was. Jammer genoeg duurde het jaren vooraleer Maria zich realiseerde hoezeer ze door Saul en haar familie was gemanipuleerd.

Jarenlang leefde Maria in ANGST. Ze dwong zichzelf om iemand te zijn die waardering zou krijgen van haar echtgenoot, en geen slagen. Daarin lag haar EER, dacht ze. Terwijl ze MACHT probeerde te verwerven over het gedrag van haar man verloor ze zichzelf echter meer en meer. Ze jaagde werkelijk een illusie na in haar pogingen om GENOT in haar gezinsleven te vinden. Daarbovenop maakte ze zich zorgen over het verlies van WEELDE als haar echtgenoot haar zou verlaten. Ze vreesde dat ze de eindjes niet aan elkaar zou kunnen knopen als ze er alleen zou voor staan. Alleen toen Saul ook hun zoon Stephanus in elkaar begon te slaan, herwon ze haar zelfrespect: de liefde voor het slachtoffer van de situatie waarvan ze deel uitmaakte, opende haar ogen voor de waarheid dat ze de ene na de andere illusie had nagejaagd, en bevrijdde haar van de verslavende gehechtheid aan eer, macht, genot en weelde.

Zowel Petrus als Maria keerden zich af van een leven in functie van een imago dat waardering moest opleveren. Petrus verheerlijkte zichzelf niet langer, waardoor hij respect kreeg voor zichzelf en niet langer op anderen als Jezus neerkeek. Maria verheerlijkte haar echtgenoot niet langer, waardoor ze zich bevrijdde van een minderwaardigheidscomplex en meer respect kreeg voor zichzelf. Bij beiden leidde het herwonnen zelfrespect tot meer respect voor (onderdrukte) anderen. Anderen werden niet langer benaderd als middelen die het onrealistisch zelfbeeld van Petrus en Maria moesten bevestigen, maar als doelen op zich.

Zowel het verhaal van Petrus als van Maria openbaart de bekering tot een levenswijze waarop de christelijke traditie in essentie doelt.

EEN SAMENVATTING:

(klik hier voor pdf van het overzicht, en klik hier voor pdf inzake zaligsprekingen en voor post over zaligsprekingen en religieuze geloftes)

AGAPE LIEFDE

 

Hugo Claus, W.F. Hermans, Charles Ducal, Tommy Wieringa en… René Girard

Bij veel fervente lezers is René Girard en zijn gedachtegoed al eens langs geweest zonder dat ze ooit van hem hebben gehoord. De geest van Girard waart niet alleen rond in het werk van grote filosofen. Ook grote romanschrijvers laven zich regelmatig aan zijn inspirerende ideeën. De Tsjechisch-Franse auteur Milan Kundera beweert niet toevallig over Girards eerste grote werk – in Verraden Testamenten, Baarn, Ambo, 1994, p. 160: Mensonge romantique et vérité romanesque is het beste dat ik ooit over de romankunst heb gelezen.” Daarnaast is ook iemand als J.M. Coetzee, de Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnaar voor Literatuur, een auteur die uitdrukkelijk met René Girard aan de slag is gegaan.

In het Nederlandse taalgebied heeft academisch onderzoek van de afgelopen decennia meer en meer literaire analyses ontplooid vanuit Girardiaans perspectief. Tegelijk wordt duidelijker gewezen op de expliciete invloed van René Girard op verscheidene literaire meesterwerken, bijvoorbeeld op Het verdriet van België.

Het is alweer tien jaar geleden dat uitgeverij De Bezige Bij het zilveren jubileum vierde van Het verdriet van België, een hoogtepunt uit het oeuvre van Hugo Claus. Naar aanleiding van die verjaardag verscheen volgende samenvatting op de website van de uitgeverij:

‘Het moet een boek worden over het leven in Vlaanderen zoals ik dat gekend heb, maar zoals het nu niet meer bestaat.’ Dat zei Hugo Claus een kleine tien jaar voordat hij Het verdriet van België voltooide: gedeeltelijk een bildungsroman gebaseerd op zijn eigen jeugd, gedeeltelijk ook een boek dat een beeld geeft van de politieke verhoudingen in België tijdens de Tweede Wereldoorlog. Maar bovenal een boek over de groezeligheid van de waarneming, de onbetrouwbaarheid, de twijfel en het verraad.

De hoofdpersoon van het verhaal, Louis Seynaeve, is elf jaar en leerling op een nonneninternaat. Verwarring, hunkering en bedrog vormen zijn jongensjaren en alleen door te fantaseren, de werkelijkheid geweld aan te doen kan hij overleven. Het leven in de Tweede Wereldoorlog wordt door Claus opgeroepen in een even complexe als meeslepende roman, die met recht het hoofdwerk uit zijn oeuvre mag worden genoemd.

De publicatie in maart 1983 zorgde in de pers voor een nooit eerder geziene hype. Het boek werd onmiddellijk een grote bestseller en heeft in de voorbije decennia ook in het buitenland veel succes geoogst. Het verdriet van België kan met recht tot een van de klassiekers uit de moderne internationale literatuur worden gerekend.

Op dinsdag 19 september 2006 verdedigde Gwennie Debergh aan de Vrije Universiteit Brussel (VUB) haar proefschrift over het verband tussen René Girard en Hugo Claus. Haar doctoraat kreeg volgende titel (klik hier voor een overzicht van haar hand – pdf): “Zie ik nu dubbel, of word ik zot?” Statische en dynamische mimesis in Het verdriet van België (Hugo Claus).

Hierna volgen twee fragmenten uit Het verdriet van België (Amsterdam: De Bezige Bij – achtentwintigste druk, april 2008) die telkens expliciet een belangrijke pijler vermelden uit het gedachtegoed van René Girard. In het eerste fragment valt de term mimetische begeerte, en in het tweede wordt gewezen op de blijkbaar steeds terugkerende rol van zondebokken bij het creëren van maatschappelijke orde. Betekenisvol in het licht van Girards “mimetische theorie” is ook de manier waarop het joods-christelijke denken over God ter sprake wordt gebracht.

Het hoofdpersonage Louis Seynaeve is in gesprek met zijn mentor op het college, een jezuïet bijgenaamd “De Kei”. De Kei vraagt Louis naar zijn ervaringen in Duitsland, waar Louis een tijdje verbleef – pp. 458-459:

De Kei vroeg: ‘Hoe was het daar?’ en bedoelde: daar in het land van de vijand. Hij zag er steeds minder als een leraar uit, in zijn vlottende toog uitgemergeld als Pater de Foucauld, verteerd in een woestijn, en ontroostbaar.

‘Hebben zij het moeilijk, de gewone mensen? Waar logeerden de Vlaamse jongens? Ik dacht dat ze in kampen zaten, dat alleen de kleintjes tot tien jaar bij pleegouders terechtkwamen? Hoe waren de mensen daar in dat dorp?’

                ‘Zoals bij ons,’ zei Louis.

                ‘Dat kunt ge niet nader bepalen?’

                ‘Neen.’

                ‘Zijn zij bijvoorbeeld onderworpen? Meer dan de Belgen. Ja? Goed. Zijn ze irrationeler, onverdraagzamer, megalomaner? Ja? Goed. De boer waar ge bij hebt gewoond, bewonderde hij Hitler?’

                ‘Hij aanbad hem.’

                ‘Precies.’

                ‘Er zullen altijd leiders zijn, Eerwaarde.’

                ‘Ja. Altijd die mimetische begeerte. De liefdesomhelzing van leiders. Men wil bewonderen, opgezweept worden door sprookjes, door die ene zaligmakende mythe. Ja? Omdat in die hypnose de werkelijkheid wegslipt, de angst verdooft. Ja. Ga nu maar.’

Het verdriet van BelgiëIn een chronologisch later fragment beklaagt Louis Seynaeve zich over het lot van de joden, voor wie hij gaandeweg meer sympathie krijgt. Louis is in gesprek met zijn Papa, die daarentegen sympathiseert met de Duitse vijand – pp. 516-517:

             ‘De joden die overal in de weg zitten, die overal weggejaagd worden, het is onrechtvaardig.’

                ‘Staat dat in dat boek?’

                ‘Nee. Maar ge voelt het.’

                ‘Joden kunnen het goed zeggen.’

                ‘Maar wat ze zeggen is waar.’

                ‘Ge moet de waarheid van een jood altijd met een korreltje zout nemen.’

                ‘En die van u niet zeker!’

                ‘Ge moet daarom niet schreien.’

                Louis wist zeker dat dit zijn vader niet was. Ik ben ook het kind van Mama niet. Zij weten het zelf niet dat ik, toen ik in windsels lag in ‘t moederhuis, verwisseld ben met een ander kind. Alleen Peter weet het en die houdt zijn mond hierover, of heeft het alleen aan zijn lieveling, Tante Mona, verklapt, zij doet altijd zo raar tegen mij.

                ‘En de Boeren in Zuid-Afrika die door de Engelsen in concentratiekampen uitgehongerd en gemarteld zijn? De Ieren, de Indiërs door de Engelsman uitgemoord. En onze jongens in de loopgraven van Veertien-Achttien? Daar spreekt ge niet over. Daar hebt ge geen traantje voor over. Er moeten altijd zondebokken zijn, en nu zijn dat de joden.’

                ‘Altijd, Papa?’

             ‘Omdat er altijd zondebokken moeten zijn, hoort ge niet goed? Dat is het leven. ‘t Is hard als ge ‘t zelf moet zijn, maar er is iets als geluk en geen geluk in ‘t leven.’

              ‘De meeste wetten zijn op geluk gebaseerd, heel de orde van de Staat,’ zei Peter.

                ‘En de zondebok was een Lam,’ zei de Kei.

                ‘Nee! Nee!’ riep Louis koppig.

De Kei sprak trager dan ooit, die dag. ‘Hoe onrechtvaardig onze gemeenschap kan zijn, kijk rondom u, toch is zij onze mogelijke redding. Ik zal het niet meer meemaken, maar zij kan gered worden. Gelijkheid en rechtvaardigheid, die begrippen die zo kunstig worden rondgestrooid door precies diegenen die ze elke dag vertrappen, kunnen alleen door de gemeenschap komen, door de staat, maar welke staat? Die van God? Welke God? Hij die het gezicht heeft van de ander. Welke revelatie hebben wij te verwachten voor wij erkennen dat er in de werken van de mensen iets goddelijks is? Géén revelatie? Neen? Toch? Nee. Het beestachtige dat ons overvalt, jongens, de gruwelen zonder weerga waarvan men geen weet wil hebben, ik geef toe, daar valt geen sprankeltje in waar te nemen van het licht dat ik God noem, en dat ik dacht in elke mens te zien gloeien. En toch die God die, zoals Paulus zegt, onbekend zal blijven, waar kan hij zijn als wij willen dat hij er ooit is? In de vernederdsten onder ons.’

Voor meer over de verbanden tussen Hugo Claus en René Girard, zie ook:

Een andere literaire grootheid uit het Nederlandse taalgebied, Willem Frederik Hermans, behandelde dan weer die aspecten van de werkelijkheid die in het werk van René Girard centraal staan, maar dan zonder het werk van Girard zelf te kennen. Daarin kwam verandering toen de halfjoodse Amsterdamse schrijfster Sonja Pos analyses van het werk van Hermans begon te maken vanuit Girardiaanse invalshoek. Uiteindelijk publiceerde ze daarover een proefschrift. Willem Frederik Hermans schreef over haar werk onder andere het volgende aan een vriend, meer in het bijzonder over haar analyse van zijn roman De donkere kamer van Damokles:

Sommige beschouwingen over mijn werk kan ik niet lezen zonder angstgevoelens. Ken jij: Mimese en geweld, beschouwingen over het werk van René Girard, Kampen 1988? Hierin staat een opstel van Sonja Pos over De donkere kamer van Damokles, dat me bang van mijzelf liet worden toen ik het las. Nou ja, ik overdrijf een beetje. Het is een van de beste beschouwingen die er ooit over dat veelbesproken verhaal zijn verschenen.

Tommy Wieringa, een recentere coryfee aan het firmament van grote Nederlandstalige romanschrijvers, heeft dan weer zijn kennis van het werk van René Girard verwerkt in zijn roman Dit zijn de namen (klik hier voor meer en klik hier voor een recensie van Gwennie Debergh). Hij heeft daar in verscheidene interviews op gewezen, onder andere in het onderstaande, waarin hij verwijst naar “het werk van René Girard” (vanaf 25:30):

Op de vraag waar hij zichzelf situeert op het vlak van geloof antwoordt Tommy Wieringa in een interview het volgende:

Charles Ducal, een van de beste hedendaagse dichters in het Nederlandse taalgebied, doet sterk vermoeden dat ook hij bekend is met het werk van René Girard, en dan vooral in het gedicht Mimesis (Alsof ik er haast ben – verzamelde gedichten 1987-2012, atlas contact: Amsterdam/Antwerpen 2012 – derde druk april 2014; p. 249). Hij krijgt het voorlopig laatste woord in deze korte verkenning van Girards invloed op de Nederlandse letteren (wordt ongetwijfeld vervolgd):

 

Mimesis

 

Ergens in een ander huis zit iemand

net als ik, schrijvend tegen mij,

zoals ik schrijf aan zijn gedicht.

Ik ken hem niet, alleen de razernij

 

die ons gelijkmaakt, ik of hij,

alleen de dwang, de afgunst en de schrik

de regel te verraden die hem schikt.

Er kan maar één de sterkste zijn.

 

Altijd en overal hijgt de score,

in elke krant, elke zaal, elke blik:

God stukgevallen in duizend goden,

en allen zo machtig als ik.

 

 

 

Het betere bochtenwerk van Patrick Loobuyck

Patrick LoobuyckEr was mij op voorhand gezegd: “Verwacht niet dat Patrick Loobuyck de dialoog zal aangaan.” Een professor Levensbeschouwing die voortdurend pleit voor interlevensbeschouwelijk gesprek zou de dialoog niet aangaan? Ik had moeite om dat te geloven. Vandaar dat ik bleef werken aan een pamflet over godsdienstonderwijs (lees het hier en sluit je eventueel aan bij de honderden ondertekenaars tot nu toe). Daarin wordt weliswaar soms scherpe kritiek geformuleerd op uitlatingen van Loobuyck en anderen, maar wordt ook opgeroepen tot dialoog. Filosofen als Loobuyck zijn ook gewoon dat hun opvattingen bekritiseerd worden, vaak in de soms scherpe stijl die ze zelf graag gebruiken, dus ook daarin zag ik geen graten. Bovendien communiceert Loobuyck zelf graag via sociale media, dus een openbare oproep tot dialoog, via die media, zou hij ook wel kunnen smaken. Dacht ik.

Maar wat blijkt nu? Loobuyck slaat aan het twitteren over in plaats van het rechtstreekse gesprek aan te gaan met. Er zijn er op deze wereld nog die verwoed aan het twitteren slaan zodra hun opvattingen worden bekritiseerd.

Toen ik hoorde dat Loobuyck aan het twitteren was geslagen, liet ik alle hoop nog niet varen. Een professor levensbeschouwing die voortdurend pleit voor interlevensbeschouwelijk gesprek zou wel op een eerlijke manier reageren, en niet onmiddellijk de kritiek op zijn opvattingen en die van anderen valselijk “framen”. Ik nam even een kijkje en stelde echter het volgende vast.

In het pamflet schrijf ik:

“De lijken van de slachtoffers waren amper koud of De Ceulaer uitte zijn wens [om de levensbeschouwelijke kooplieden uit de scholen te ranselen] opnieuw naar aanleiding van de aanslag op Charlie Hebdo. Op de website van Knack (13 januari 2015) fulmineerde hij tegen een Vlaams onderwijsbeleid dat al te lang te tolerant zou zijn geweest tegenover zogezegde aantastingen van een universele moraal.”

Bij een twitterende Patrick Loobuyck wordt dat:

“Voor de goede orde, het stuk van @jdceulaer verscheen helemaal niet naar aanleiding van de aanslagen.”

Het is blijkbaar moeilijk om de nuance te vatten. Het is nochtans een feit dat De Ceulaer zijn artikel opnieuw lanceerde naar aanleiding van de aanslag op Charlie Hebdo, en dat hij zowel op radio en tv in die periode het pleidooi uit het artikel herhaalde. Dat woord “opnieuw” wordt blijkbaar moeilijk in rekening gebracht. Ook de datum waarop het artikel van De Ceulaer inderdaad “opnieuw” verscheen, 13 januari 2015, 6 dagen na de aanslag op Charlie Hebdo, is niet toevallig. En dan is er nog die vermaledijde begeleidende tekst van de Knack-redactie bij het artikel:

“Naar aanleiding van de jihadistische aanslagen in en rond Parijs pleitte Knack-journalist Joël De Ceulaer in het Radio 1-programma Hautekiet voor de afschaffing van levensbeschouwelijke schoolvakken. Herlees hier de ‘Lastpost’ die hij daarover schreef in Knack van 5 november 2014.”

Joël De Ceulaer opnieuw pamflet Godsdienst met of zonder LEF

In het pamflet schrijf ik:

“Patrick Loobuyck, zowat de architect van het vak LEF, is een van de kampioenen in de verspreiding van foutieve informatie over het vak rooms-katholieke godsdienst. Ofwel komt dat voort uit oprechte onwetendheid, ofwel uit een bewuste strategie. Valse Messiassen creëren altijd eerst een voorheen onbestaand probleem om zich vervolgens als redders te profileren en een eigen ideologische agenda door te drukken.”

Bij een twitterende Patrick Loobuyck wordt dat:

“Wie vindt dat @PLoobuyck een valse messias is, kan hier op @ThomasRKG het pamflet tekenen.”

Alweer is het blijkbaar moeilijk om de nuance te vatten. Als zijn misvattingen over het godsdienstonderwijs voortkomen uit oprechte onwetendheid, moet Loobuyck zich natuurlijk niet aangesproken voelen wat betreft die zin over valse messiassen. Loobuyck kan wel degelijk de dialoog aangaan op een zelfkritische manier en toegeven dat hij zich bijvoorbeeld heeft vergist over de huidige leerplannen en de handboeken voor godsdienst, maar dat hij zich geenszins bewust was van die vergissing. Loobuyck kiest ervoor om dat niet te doen. Dat is zijn goed recht, maar het bevestigt vooralsnog dat hij liever tendentieus twittert dan voor een face to face dialoog te kiezen.

In het pamflet schrijf ik:

“Een andere bekende lobbyist voor het vak LEF, Maarten Boudry, nemen we zijn soms ronduit dwaze beweringen over theologie en theologen minder kwalijk (hij is geen godsdienstwetenschapper), hoewel…”

Bij een twitterende Patrick Loobuyck wordt dat:

“Wie vindt dat @mboudry een dwaze lobbyist is, kan hier op @ThomasRKG het pamflet tekenen.”

Blijkbaar is het problematisch om aantoonbaar onjuiste opvattingen “dwaas” te noemen, en denkt filosoof Loobuyck dat je een persoon karakteriseert als je iets zegt over een aantoonbaar onjuiste opvatting van die persoon.

Beste Patrick,

Ik kan alleen voor mezelf spreken, maar ondanks de waarschuwingen die ik kreeg en de bevestiging die je tot nu toe gaf voor die waarschuwingen, blijf ik geloven in jou. Je bent een voorvechter van de dialoog, en dus neem ik aan dat je het waardevoller vindt om uiteindelijk het rechtstreekse gesprek aan te gaan. Als je dan toch twittertijd en –aandacht besteedt aan het pamflet, zou je dan niet liever – filosoof zijnde – aan tafel gaan zitten? Communiceren kan ook gemakkelijk zijn in deze internettijden, en ook eerlijker. Wat denk je, zou je niet aan tafel willen schuiven met enkele van je criticasters en goede vrienden, eventueel met een goed glas (en gebroken brood), zodat we allemaal samen de zelfgenoegzaamheid van ons eigen clubje kunnen doorbreken?

Ik wil je een hand geven, beste Patrick, en ik steek het uit. Ik weet het, je kan het altijd weigeren en blijven spreken “over” in plaats van “met”, maar waarom zou je dat doen als een veel aangenamer scenario mogelijk is? Laten we met z’n allen de empathie aan de dag leggen om ons te verplaatsen in de positie van de ander.

Alleszins beste groeten!

Patrick Loobuyck twitter over pamflet Godsdienst met of zonder LEF

POST SCRIPTUM

Eén van de beproefde strategieën om de dialoog te weigeren, is de verantwoordelijkheid daarvoor bij “de andere partij” te leggen. Je krijgt dan van die redeneringen als: “Omdat de andere partij zus of zo reageert, kan of wil ik de dialoog niet aangaan.”

Op die manier tracht je natuurlijk je eigen aandeel en verantwoordelijkheid in het al dan niet lukken van de dialoog te ontlopen. Het is geweten dat op die manier conflicten in stand worden gehouden.

Kennelijk hebben professoren die zich specialiseren in de “dialoog” soms nog iets te leren over “eigen verantwoordelijkheid in de dialoog”. Patrick Loobuyck twittert, alweer (jammer en stilaan grotesk), bijvoorbeeld het volgende naar aanleiding van het voorgaande (mails komen blijkbaar niet aan):

Patrick Loobuyck weigert dialoog

Patrick Loobuyck bevestigt op dit moment:

1) dat hij de dialoog niet op een eerlijke manier wenst te voeren

2) dat hij zijn eigen aandeel en verantwoordelijkheid in het mislukken van de dialoog tracht te ontlopen

Is er angst voor de dialoog? En mogen al de mensen die zich solidair verklaarden met de oproep tot dialoog (onder wie atheïsten, agnosten, gelovigen van verschillende gezindte en mensen uit alle geledingen van het levensbeschouwelijke onderwijsveld – van studenten tot professoren) nog verwachten dat Patrick Loobuyck “aan tafel schuift”?

Het is trouwens niet de eerste keer dat Loobuyck, via de openbare media die hij zelf vaak gebruikt om te communiceren, is opgeroepen tot dialoog, en meestal gebeurde dat op een vriendelijke manier. Zie bijvoorbeeld:

Open brief aan Patrick Loobuyck en de pleitbezorgers van LEF

Op “hardere” taal wordt wel gereageerd met een tweet (en waarschijnlijk is dat normaal, des mensen):

Het fascisme van antireligieuze utopisten

POST POST SCRIPTUM (OF HOE EEN MENS ZICH IN BOCHTEN BLIJFT WRINGEN)

Er wordt getwitterd. Er wordt gefacebookt. Patrick Loobuyck postte nog het volgende:

Kort enkele zaken over het pamflet van leerkrachten rooms-katholieke godsdienst (zie fb-post 2 juni, https://www.kuleuven.be/…/godsdienst-met-of-zonder-lef-pam…/ ), waarom ik het onheus tendentieus vind en eerder gericht op verdachtmaking dan op inhoudelijk gesprek:
– LEF is in de kern een pleidooi voor eindtermen levensbeschouwelijke, democratische en morele geletterdheid en filosofie. Hierover in het pamflet geen woord.
– Waarom wordt Maarten Boudry erbij gehaald? Hij heeft zich bij mijn weten nog niet enorm ingespannen of geprofileerd inzake LEF. Hij was ook geen lid van de LEFvzw. Waarom hem dan een lobbyist noemen voor LEF? Hij wordt erbij gehaald om het Pollefeyt-frame te bevestigen dat LEF een atheïstisch, ideologisch vak zou zijn. O.a. https://doorbraak.be/intellectuelen-maatschappelijk-debat-…/
– Joël De Ceulaer schreef zijn stuk waarnaar verwezen wordt vanuit een persoonlijke ervaring, eerste semester 2014. LastPost was steeds in een typerende scherpe stijl geschreven. Er wordt in zijn stuk overigens geen melding gemaakt van LEF, ik denk zelfs dat hij toen niet eens op de hoogte was van het bestaan van het LEF-idee – maar dat zou je hem moeten vragen. Kortom het stuk heeft als dusdanig niets met LEF te maken. http://www.knack.be/…/wordt-het…/article-opinion-524885.html
– Dat Hautekiet na de aanslagen een uitzending doet over de levensbeschouwelijke vakken, daar hebben De Ceulaer noch Loobuyck iets mee te maken. Na de aanslagen werden in heel wat officiële scholen de aparte levensbeschouwelijke vakken opgeschort en organiseerde men overleg en dialoog over de vakken heen. Dat vonden de media nieuwswaardig en het deed hen denken aan mijn ideeën. Bovendien had iedereen plots de mond vol van het belang van democratische vrijheden, waarden en uitgangspunten. Vandaar. https://radio1.be/moeten-alle-levensbeschouwelijke-schoolva… [Dat het stukje van De Ceulaer dan nog eens op de knackwebsite is verschenen, heeft denk ik ook niets met hem te maken (hij was op die datum al bij De Morgen), maar zal een redactiekeuze geweest zijn van Knack. Ook dat zou je hem eens moeten vragen]. Kortom, goed geprobeerd, maar het heeft niets met lijkenpikken te maken.
– “laten zien met welke bril je kijkt, tenminste als je een totalitaire tendens in je denken wil vermijden”. Nog zo’n mooie beschuldiging: zet LEF bij het totalitaire denken en we kunnen er met zijn allen tegen zijn. De bril van waaruit LEF wordt gegeven en verdedigd is die van de academische discipline van de religiestudie. De ideologische bril, zo je wil, is die van het politiek liberalisme à la Rawls. Dit is net het tegenovergestelde van totalitair denken overigens. Bovendien is daar nooit een geheim van gemaakt. Lees in dit verband Samenleven met gezond verstand en het LEF-boekje. Zij die beweren dat ik mijn achterliggend denkkader niet expliciteer willen ofwel niet lezen ofwel gratuit beschuldigen. En als je niet wil lezen, hou je dan tenminste aan de NIVEA-regel: Niet Invullen Voor Een Ander. https://www.polis.be/samenleven-met-gezond-verstand.html http://www.aspeditions.be/…/meer-lef-in-het-onder…/15034.htm
– “Wie even tijd neemt om de handboeken rooms-katholieke godsdienst te bekijken bijvoorbeeld, ziet al snel dat religie en met name het christendom er zeer gefilterd wordt gepresenteerd.” http://www.knack.be/…/jongeren-…/article-opinion-623745.html Daar blijf ik bij, op basis van de handboeken Caleidoscoop (Wolters/Plantyn) en Meander (Pelckmans). De handboeken brengen een theologisch gekleurd verhaal. Religie wordt onvoldoende vanuit het perspectief van religious studies bekeken. Bij de islamhandboeken is dat trouwens nog meer het geval. Dat is nog voornamelijk echt teaching into religion. Maar zoals ik in datzelfde stuk ook schrijf: de levensbeschouwelijke vakken staan op dat punt recht in hun schoenen. Ze doen waarvoor ze bedoeld zijn. Het stuk is geen aanval op de vakken, maar een appel aan de overheid. Het is de Vlaamse overheid die in gebreke blijft door geen eindtermen te willen formuleren waardoor het wetenschappelijk-kritisch denken over levensbeschouwing en het buitenperspectief dat de religiestudie biedt niet voor iedereen gegarandeerd zijn. De eindtermen waar LEF voor staat sluiten niet uit dat er in andere vakken wel een theologisch verhaal gebracht wordt. Er is van bij het begin ook steeds gezegd dat LEF een rooms-katholiek godsdienstvak (bv. op katholieke scholen) in principe niet hoeft uit te sluiten. Zie oa https://www.demorgen.be/…/lef-voor-de-burgers-van-morgen-b…/ Wat er met de bestaande levensbeschouwelijke vakken moet gebeuren is op zich een aparte discussie. En om die in Vlaanderen ten gronde te kunnen voeren, halen we de levensbeschouwelijke vakken best terug uit de grondwet (waar ze pas sinds 1988 zijn in opgenomen, art. 24). http://www.knack.be/…/de-neutr…/article-longread-679199.html
– Tot slot wat de dialoog betreft. Er zijn mensen die met me in dialoog willen gaan en me daarvoor eenvoudig een vriendelijk uitnodigende mail sturen. Ik weiger normaal geen gesprekken en was bijvoorbeeld ook al te gast bij een overlegmoment van de inspectie rooms-katholieke godsdienst, op katholieke dialoogscholen, etc. Wie echter denkt te kunnen uitnodigen tot dialoog door handtekeningen te verzamelen voor een tendentieus pamflet met verdachtmakingen… Tja.
Op zijn blog reageert de initiatiefnemer (die ik overigens niet ken, ook niet vanop sociale media) ondertussen met opnieuw verdachtmakingen. https://mimeticmargins.com/…/het-ware-gelaat-van-patrick-l…/ “Er zijn er op deze wereld nog die verwoed aan het twitteren slaan zodra hun opvattingen worden bekritiseerd.” Maw: Loobuyck = Francken/Trump?
Jezus…

Enfin, voor de rest, altijd bereid om van gedachten te wisselen. Mijn mailadres staat online.

EEN ANTWOORD:

De meer dan 800 ondertekenaars van het pamflet “Godsdienst met of zonder LEF?” tot nu toe (onder wie atheïsten, agnosten en gelovigen van verschillende gezindte, alsook mensen uit het hele levensbeschouwelijke onderwijsveld, van studenten tot professoren) mogen hopelijk stilaan een minder krampachtige reactie verwachten op de uitnodiging tot dialoog – met leerkrachten RKG. Een antwoord op het onderstaande bericht van Patrick Loobuyck, punt per punt:

1) Het pamflet gaat niet over LEF, maar over hoe het vak RKG vandaag wordt geconcipieerd. Vandaar de vraag op het einde van het pamflet aan de voorstanders van LEF in hoeverre LEF beantwoordt aan de betrachtingen van het huidige vak RKG. Als dat helemaal duidelijk was, dan zou die vraag niet worden gesteld.

2) Op 30 november 2011 was Maarten Boudry één van de ondertekenaars van een pleidooi voor LEF in de krant De Morgen, getiteld “LEF voor de burgers van morgen”. Zie: https://www.demorgen.be/…/lef-voor-de-burgers-van-morgen-b…/

3) Het is dus de schuld van onder andere Knack dat het stuk van De Ceulaer verkeerdelijk “geframed” werd? Je kan lezers niet verwijten dat ze lezen wat ze lezen, met name:

“Naar aanleiding van de jihadistische aanslagen in en rond Parijs pleitte Knack-journalist Joël De Ceulaer in het Radio 1-programma Hautekiet voor de afschaffing van levensbeschouwelijke schoolvakken. Herlees hier de ‘Lastpost’ die hij daarover schreef in Knack van 5 november 2014.”

Bovendien verscheen hij in diezelfde week na de aanslagen op Charlie Hebdo ook nog eens in Reyers Laat, in een discussie met Mieke Van Hecke die als titel meekreeg: “Wat doen we met Allah en God op school?”

Dat zijn tendentieuze aankondigingen en titels van Knack en van de VRT. Je kan het lezers, luisteraars en kijkers niet kwalijk nemen dat ze het debat dan ook in die context plaatsen, zeker als Joël De Ceulaer zelf daar geen probleem van blijkt te maken op dat moment.

In ieder geval heeft een actuele voorstander van LEF in een niet zo ver verleden de pleidooien gevoerd die hij heeft gevoerd.

4) Over “laten zien met welke bril je kijkt om een totalitaire tendens te vermijden…” Het is veel mensen vooralsnog onduidelijk hoe “neutraliteit” wordt ingevuld door LEF. Je antwoordt: “De bril van waaruit LEF wordt gegeven en verdedigd is die van de academische discipline van de religiestudie. De ideologische bril, zo je wil, is die van het politiek liberalisme à la Rawls.”

Dat is dus niet neutraal, dus waarom zou je dat woord nog gebruiken? Bovendien kent “de academische studie van de religiestudie”, zoals elke menswetenschap, een waaier van theoretische uitgangspunten en “brillen”. Ook daarover kan meer duidelijkheid komen. Overigens vertrekt het vak RKG ook van dergelijke religiestudie.

5) Over de handboeken zijn we het fundamenteel oneens. We kunnen samen bijvoorbeeld Caleidoscoop eens grondig bekijken. In het pamflet wordt aangegeven op welke manier Caleidoscoop een aantal van je aantijgingen omtrent handboeken weerlegt. Bovendien poneer je in het aangehaalde artikel dat “godsdienst op erg gespannen voet staat met de huidige wetenschappelijke bevindingen”. Dat is niet juist. Caleidoscoop laat zien welke opvattingen over godsdienst leiden tot conflicten met wetenschap en welke niet. Omdat voorstanders van LEF de afgelopen jaren uiteenlopende standpunten hebben geuit in de media (soms werd gesproken over “afschaffing”), is het niet altijd even duidelijk op welke manier het vak RKG nog een plaats krijgt naast LEF – standaard in katholieke scholen, of via “gasturen”, of in sommige katholieke scholen wel en andere niet, of na een herziening van de netten, etc.?

6) Jij bent zelf verantwoordelijk voor het al dan niet aangaan van de dialoog op basis van wat je een “verdacht-makend pamflet” noemt. Hierboven is enige verduidelijking geschetst voor je vragen en bedenkingen. Wat bijvoorbeeld wordt geschreven over Boudry, gaat over hemzelf en moet jij niet voor je rekening nemen. Maar het is een feit dat voor de buitenwereld iemand natuurlijk wordt geassocieerd met LEF als hij een pleidooi van academici voor LEF in De Morgen tekent. Is het zo vreemd dat lezers Boudry als voorstander van LEF zien dan?

7) De opmerking over “verwoed twitteren” is in de eerste plaats algemeen. Velen twitteren verwoed tegenwoordig. Dat jij Trump en Francken noemt, is voor jouw rekening. Het pamflet telt 6 bladzijden. Het gros daarvan gaat helemaal niet over Patrick Loobuyck, zelfs niet over LEF als dusdanig (vandaar de vragen op het einde, naar verduidelijking). Het pamflet verduidelijkt, nogmaals, hoe RKG vandaag is geconcipieerd en wil vanuit het wegwerken van een aantal misvattingen de dialoog aangaan over de toekomst van het levensbeschouwelijk onderwijs.

Het is overigens fijn om te zien dat na het getwitter de aandacht voor mailverkeer komt. We mailen elkaar. Dat is hoopgevend. De polariserende mediastorm, van beide kanten, die in deze tijden een normale fase lijkt, gaat liggen.