Het fascisme van antireligieuze utopisten

[Deze post is een vertaling en herwerking van een vorige post, met name The Fascism of Anti-religious Utopians; ze kadert in de discussie over het vak LEF – klik hier voor meer artikels op de Thomas-website van de KU Leuven].

“Niemand wordt homoseksueel geboren. Homoseksualiteit is een pervertering van de menselijke natuur. Vandaag zijn er al genoeg problemen op het vlak van relatievorming en seksualiteit die onze samenleving ontwrichten. We moeten onze jeugd behoeden voor nog meer seksueel geweld. Wordt het daarom geen tijd dat wij de homoseksuele leraren uit onze scholen ranselen? Zij mogen onze jeugd niet langer corrumperen. Zeg hen: blijf met uw fikken van de ziel van mijn kind!”

Deze redenering is wel eens te horen in veelal eerder rechtse kringen, al dan niet met een religieus sausje. In de nasleep van 9/11 zijn er in de Verenigde Staten zelfs fundamentalistische christenen die terroristische aanslagen beschouwen als “een straf van God” omdat de Amerikaanse samenleving te tolerant zou zijn tegenover “feministen, homo’s en lesbiennes” (dixit bijvoorbeeld Jerry Falwell, op 13 september 2001, in The 700 Club).

Wat mij betreft, wordt deze manier van denken terecht bekritiseerd, en zeker ook als ze komt uit hoeken die zelf niet altijd een toonbeeld van seksuele ethiek blijken. Natuurlijk zullen er homoseksuelen zijn die zich, zoals ook sommige heteroseksuelen, bezondigen aan verkrachtingen en andere vormen van seksueel geweld, maar dat betekent niet dat homoseksualiteit op zich een perversie is. Terecht moeten we homoseksuelen in bescherming nemen tegen discriminerende maatregelen. Het homofobe uitgangspunt is bovendien sterk betwijfelbaar. Dat homoseksuele neigingen genetisch zouden zijn, lijkt mij evenwel geen goed argument om te bepalen of homoseksualiteit geoorloofd is. Een gelijkaardige redenering gaat misschien op voor pedofilie, en dan zouden we, ondanks een eventueel biologische oorsprong, nog altijd besluiten dat deze vorm van seksualiteit moreel verwerpelijk is. In ieder geval zijn er voldoende andere morele en wettelijke criteria om de rechten van homoseksuelen te verdedigen. Er is dus hoop.

De vraag is of ook andere groepen in onze samenleving dezelfde hoop kunnen blijven koesteren. Recentelijk steekt volgende redenering meer en meer de kop op:

“Niemand wordt religieus geboren. Religie is een pervertering van de menselijke natuur. Vandaag zijn er al genoeg problemen op het vlak van religieus gemotiveerd geweld en fanatisme die onze samenleving ontwrichten. We moeten onze jeugd behoeden voor nog meer religieus geweld. Wordt het daarom geen tijd dat wij de levensbeschouwelijke kooplieden uit onze scholen ranselen? (Joël De Ceulaer op de website van Knack, 13 januari 2015). Zij mogen onze jeugd niet langer corrumperen. Zeg hen: blijf met uw fikken van de ziel van mijn kind! (De Ceulaer, ibid.).”

Patrick Loobuyck Joël De Ceulaer twitterJournalist Joël De Ceulaer en de zijnen stellen al enkele jaren expliciet de vraag om de levensbeschouwelijke vakken in onze scholen te vervangen door “één neutraal vak levensbeschouwing” (het fameuze LEF – “Levensbeschouwingen, Ethiek, Filosofie”), liefst gegeven door “neutrale leraren”. De lijken van de slachtoffers waren amper koud of De Ceulaer lanceerde deze oproep opnieuw naar aanleiding van de aanslag op Charlie Hebdo. Daarmee gaat hij nog een stap verder dan de islamofobie waartoe Filip Dewinter (Vlaams Belang) onlangs weer wou aanzetten in de Kamer. Dewinter zwaaide met een Koran en noemde het boek “de reden van heel wat onheil”. Door zijn oproep voor een vak LEF in de context van islamistische terreurdreigingen te plaatsen, verbreedt De Ceulaer de islamofobie van Dewinter de facto tot een algemene religiefobie.

Zelf ben ik een van de “levensbeschouwelijke kooplieden” die De Ceulaer uit onze scholen wil “ranselen”. Ik zou hem en zijn ideologische bondgenoten graag een aantal bedenkingen voorleggen. Het is ten eerste betwijfelbaar of “religieuze neigingen” niet behoren tot onze natuur. Met name sommige atheïsten gewagen zelfs graag van een “God-gen” dat aan de oorsprong van religieuze gevoeligheden zou liggen. (Eigenaardig wel dat de veronderstelde genetische oorsprong van homoseksualiteit vaak als een argument pro gebruikt wordt, terwijl dat in het geval van religie vaak als een argument contra geldt.) Natuurlijk wordt niemand geboren met een particuliere religie of levensbeschouwing, zoals er ook geen homoseksueel geboren wordt met een particuliere partner, maar de mogelijkheid om een religieuze of seksuele gevoeligheid in een specifieke zin te cultiveren is van bij het begin – al dan niet genetisch – aan de mens gegeven (die gevoeligheden komen in ieder geval niet van Mars). Het contact, van kindsbeen af, met mensen die op een gezonde manier getuigen van hun levensbeschouwelijke verbintenissen kan een inspiratie vormen voor een eigen levensbeschouwelijke zoektocht. Zoals de getuigenis van liefde bij (al dan niet homoseksuele) koppels de eigen kijk op relaties van kinderen en jongeren vormt. Je wacht toch ook niet met het spreken van een bepaalde taal omdat je kind, zoals alle mensen, met talige mogelijkheden geboren wordt maar niet met “één specifieke taal”? Het is precies het intense, niet zelf gekozen contact met één taal dat je kind de vrijheid schenkt om ook andere talen te leren en eigen ideeën te ontwikkelen. Je moet je kind natuurlijk niet wijsmaken dat er geen andere talen zijn. Dat zou de feiten geweld aandoen.

Een levensbeschouwelijke cultuur is in wezen als een taal: geen doel op zich, maar een vertrekpunt dat mensen toelaat om in relatie te treden met een wereld die gekleurd wordt door een veelheid aan talen en culturen. Nu zou je kunnen argumenteren dat een taal noodzakelijker en daarom fundamenteler is dan een levensbeschouwelijke overtuiging, en op basis daarvan een intenser contact met één levensbeschouwelijk perspectief uit het onderwijs weren. Dat is een levensbeschouwelijke optie. Het belang of de waarde van iets laten afhangen van een vraag naar nut, is natuurlijk niet neutraal. Afgezien daarvan is er een steeds groter levensbeschouwelijk analfabetisme in onze samenleving dat eigen problemen met zich mee brengt. Als er dan toch een “nut” moet zijn voor een levensbeschouwelijk vak, ligt het misschien daar. Uit vele verhalen van islamistische “bekeerlingen” blijkt dat het vaak gaat om jongeren die nauwelijks een expliciet islamitische opvoeding kregen. Sommigen hebben zelfs helemaal geen contact met religie tot voor hun plotse bekering. Hun beleving van de Islam is dan ook eerder te begrijpen als het gevolg van bepaalde frustraties en gewelddadige neigingen dan dat ze er de oorzaak van zou zijn.

Tien jaar na 9/11 schreef de militante atheïst Sam Harris op zijn blog: “Vanuit onze onwetendheid, angst en hunker naar orde schiepen we de goden. En onwetendheid, angst en hunker houden ze bij ons.” Het wereldbeeld van religieuze fundamentalisten teert inderdaad op een mix van die menselijke eigenschappen. Het wereldbeeld van antireligieuze fanatici echter evenzeer. Beide groepen beantwoorden de utopische hunker naar orde door hun perspectief op de werkelijkheid te verabsoluteren en eigenlijk te vergeten dat het een perspectief is. De enen noemen hun standpunt “goddelijk”, de anderen “neutraal”, en dat is tweemaal gelogen. Je kan objectiviteit nastreven in levensbeschouwelijk onderwijs, maar geen neutraliteit. Je kan bijvoorbeeld van atheïstische, boeddhistische, christelijke of islamitische leraren verwachten dat ze een gelijkaardig verhaal vertellen als ze het christelijk geloof voorstellen vanuit het werk van Karl Rahner, George Coyne of James Alison – alle drie katholieke theologen. Of vanuit het denken van Ignatius van Loyola, Franciscus van Assisi of Benedictus van Nursia. Vervolgens kun je de dialoog aangaan met andere levensbeschouwelijke perspectieven, met het fundamentalisme van Jerry Falwell bijvoorbeeld. Je kunt ook de vraag stellen hoe je leerlingen zich, vanuit hun eigen culturele achtergrond, verhouden tot die levensbeschouwelijke perspectieven. Maar met een zogezegd “goddelijk” of “neutraal” perspectief valt niet te dialogeren. Dat is gewoon aan te nemen, zonder discussie, en is een vorm van indoctrinatie. Ten slotte cultiveren zowel religieuze fundamentalisten als antireligieuze fanatici ook een cultuur van angst. De zogenaamd verlichte rationaliteit van Harris zelf wordt gevoed door religiefobie. Hij zegt bijvoorbeeld: “Ik denk dat religie de gevaarlijkste ideologie is die we ooit hebben voortgebracht, de voornaamste bron van verdeeldheid.” Bij wie zich angstvallig ingraaft in een ideologische cocon is de onwetendheid groot. Ook bij Harris uit zich dat in zogezegd “nuchtere” stereotyperingen.

Je kan alle overtollige culturele en literaire elementen uit een taal weren en kinderen opvoeden in een overzichtelijk, eenduidig en efficiënt idioom. Daarmee ontzeg je hen echter de toegang tot een groot deel van de menselijke werkelijkheidsbeleving en wie wereldvreemd is, reageert doorgaans angstig op wat niet tot de eigen, verkleinde wereld behoort. En zo is de cirkel rond. Taalarmoede en levensbeschouwelijk analfabetisme houden de spoken van het totalitarisme en fascisme bij ons, of die nu van religieuze of antireligieuze demagogen komen. Angstig moeten we evenwel niet zijn. Het zijn maar spoken van irrealistische maatschappelijke dromen. En spoken bestaan niet. Dat maken de (zowel gelovige als atheïstische) spirituele geesten in ons midden ons vroeg of laat wel weer duidelijk.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s